|
DWAALLICHT
DWALEN OP DOO WOPTijdens de eerste speelreeks op Zomer van Antwerpen bezorgt het Leuvense muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding zijn Elsschotbewerking een veelzeggende prelude. De toeschouwers komen samen in de Kloosterstraat 15, het adres waar het personage Frans Laarmans en zijn drie Afghaanse kameraden hun droommeisje, Maria Van Dam, niet vinden. Evenmin vindt het publiek hier zijn theaterlocatie. Acteur Warre Borgmans legt uit dat er eerst een wandelingetje moet volgen: eerst naar rechts, dan links, dan weer links, dan schuin een plein over. Of was het twee keer rechts, dan schuin, dan links? Zoals de zoekende Afghanen dwalen de toeschouwers door de straten van Antwerpen. Het losbarstende onweer veroorzaakt verfrissing en een vleugje hilariteit. Precies zoals de voorstelling die erop volgt. Warre Borgmans zet een totaal andere Laarmans neer dan die die we kenden uit het boek. Na een eerste lezing van Het dwaallicht – jaren geleden, ondertussen – bleef vooral de indruk van een zuur en verbitterd burgermannetje ons bij. Een man die droomde van nieuw en anders en exotisch, maar die nooit durfde te kiezen voor wat hij eigenlijk wou. Natuurlijk is het personage meer dan alleen maar dat. Hij is ook iemand die zijn dagelijkse routine weet op te fleuren met zijn fantasie. Alleen laat hij zijn dromen dromen blijven, en laat hij de spreekwoordelijke daad er niet op volgen. Ze zijn zoals het meisje Maria Van Dam: ‘als een beeld dat men in ’t water ziet. Als men het grijpen wil is er niets. Of zoals de lichten in het moeras. Men kan ze nalopen, doch men achterhaalt ze niet.’ De conclusie die de meeste lezers uit Het dwaallicht trekken, is en blijft dan ook een bittere. Die werd ons bevestigd door een tweede lezing naar aanleiding van de voorstelling. Ook nu weer blijven dezelfde woorden uit de slotpassage hangen: ‘Nu vooral niet gaan kniezen en niet mee naar Bombay, niet meer op zoek naar het nestje van Fathma, maar gauw naar huis met mijn krant om weer plaats te nemen in de kring van die waar ik aan gebonden ben en die mij vervelen, onuitsprekelijk.’ Hij lijkt niet alleen te stoppen met het najagen van het droombeeld, maar meteen ook met het dromen op zich. In zijn Dwaallicht (opvallend zonder bepalend lidwoord ervoor) ziet Braakland/Zhe Bilding een uitweg voor zijn Laarmans. Hoewel de tekst bijna letterlijk uit het boek is geknipt, is hun interpretatie van het personage hoopvoller, in zekere zin zelfs vrolijk. De makers schrapen een goed deel van het cynisme en de treurnis van de tekst af. Ze laten Warre Borgmans licht en opgewekt aan zijn zoektocht beginnen. De verantwoording voor hun keuze halen ze uit het liedje dat Laarmans helemaal op het eind te binnen schiet. ‘Adieu, adieu, I can no longer stay with you, I hang my harp on a weeping willow-tree and may the world go well with thee.’ Je kunt uit die verzen opnieuw afleiden dat Laarmans zich – zoals hij ook in het begin van de novelle schijnt aan te kondigen – schikt in zijn burgerbestaan. Hij hangt de harp van zijn fantasie en dromen aan de wilgen en zal zijn saaie leven aanvaarden. Braakland ontdekte dat Elsschot de tekst uit een opgeruimd doo-wopnummer haalde, ‘vierstemmig en compleet met handclaps en fingerclicks’. De titel van het liedje luidt There is a tavern in the town. Zou het dus niet kunnen dat Laarmans alsnog naar zijn stamkroeg zal trekken en zijn dromen zal blijven voeden? Een vrolijke voorstelling met een duidelijk ironische ondertoon, maar met bijzonder weinig sarcasme is het resultaat. Het lijkt een radicale interpretatie van Elsschots novelle, maar ze klopt van begin tot eind. Dat vooral is het mooie aan de voorstelling. Ze werpt een heel ander licht op de eeuwige dromer Laarmans, de ongelukkige loser die strandt in berusting en verbittering. Dwaallicht geeft volop ruimte aan de fantasie en de onontgonnen mogelijkheden die het personage zou kunnen exploreren, als hij gewoon maar heel even durfde. Het is een voorstelling vol hoop. Braakland zou Braakland niet zijn als het smakelijke verteltheater van Warre Borgmans niet werd gestaafd door muziek die meer is dan fraai behangpapier bij tekst en spel. Wanneer Borgmans met het publiek in zijn kielzog bij de speelruimte aankomt en een plaats zoekt in het chaotische decor propvol instrumenten, vogelkooien en stamicrofoons, krijgt hij het gezelschap van vijf muzikanten (Rudy Trouvé, Gunter Nagels, Youri Van Uffelen, Ephraïm Cielen en Tim Liebaert). Voor de gelegenheid hadden ze een opdracht gekregen van regisseurs Adriaan Van Aken en Stijn Devillé. De muziek moest doo wop ademen. En dat doet ze. Ook dat draagt natuurlijk bij tot de prettige sfeer die van de voorstelling afstraalt. Het zootje op de uitgerekte, ondiepe speelstrook verandert al snel in een geïntegreerd geheel. Warre Borgmans speelt al eens hulpje of extra stem bij een nummer. En de muzikanten zijn tegelijk personages, die de vruchteloze zoektocht van Laarmans en de drie Afghanen op de voet volgen. Met deze verwevenheid van tekst en muziek volgt de voorstelling quasi perfect het ritme van het boek. Ze vliegt erin met een behoorlijke vaart en vertraagt haar tempo wanneer de mannen op een eerste dood punt lijken te zijn beland (zo rond het midden van de roman, wanneer Laarmans na een gênant bezoek aan een vogelkooienwinkel in de Kloosterstraat 15 ‘verpletterd van schaamte’ de handdoek in de ring wil gooien). Net als we beginnen te vrezen dat ze zich zal vastlopen in traagheid, trekt de voorstelling weer op naar kruissnelheid: het hoofdpersonage vat opnieuw moed. De ritmische parallel tussen stuk en boek is slechts schijn, omdat Braakland hier en daar wel degelijk versnellingsmechanismen heeft ingebouwd. De makers drijven het tempo niet alleen op door fragmenten uit de novelle weg te knippen. Ook de muziek en de hoopvolle ondertoon bezorgen Dwaallicht een drive die harder gaat dan die van het boek. Braakland maakt in zijn Dwaallicht een duidelijke, maar verdedigbare keuze, die de voorstelling prima laat passen bij de sfeer van een zomers theaterfestival. Het gezelschap doet dat echter zonder oppervlakkigheid te prediken. Aan de diverse lagen die Elsschot in zijn novelle verwerkt, doet het nauwelijks afbreuk. De politieke, maatschappelijke en zelfs de religieuze reflexen blijven bewaard. Na de voorstelling krijgen toeschouwers die zin hebben in wat extra avontuur een papiertje met een adres in de buurt erop. Ze worden erop uitgestuurd met ‘een cadeautje’ in het vooruitzicht. Wie of wat wacht hen? Het is een leuk toetje dat de toeschouwer nog wat langer in de Laarmanssfeer gevangen houdt. Wacht ons op dit adres uiteindelijk toch nog Maria Van Dam? (Inès Minten op Theatermaggezien.be) BRIEF UIT OOSTENDE #2
Geschreven door Chris Van Camp op 6 augustus 2010
Van 29 juli tot en met 8 augustus is het Theater Aan Zee. Chris Van Camp is in Oostende en stuurt van daar brieven aan deBuren. Vandaag de tweede brief, over Caroline Gennez en 'Hitler is dood'.
Dag Buren, ik weer.
Tussen het fietsen door. Heerlijk, de hele stad begint zich stilaan aaneen te rijgen. Zelfs de sluipwegen in de haven en de pleisterplekken van de locale sportievelingen kennen geen geheimen meer voor me. Ik rij van de Oostendse Tennisclub naar Zaal Zonnebloem, over Fort Napoleon en de vismijn naar zowat elke loods waar een gele TAZ-pijl staat. Ik ben niet de enige. Het krioelt hier van de blije fietsers op hun rood-gele gratis fietsen. Na een tijdje haal je ze er zo uit, de festivalgangers. Eerst aan hun zoekende blik, dan aan hun programmablaadjes en nu… omdat we mekaar overal tegenkomen. Wie ik voortdurend ontmoet in verduisterde zalen op zonnige dagen is Caroline Gennez. Jep, het s.pa-boegbeeld. Ze is heel aanwezig, kiest er alle toppers uit en geeft tegen haar vriendinnen ook nog commentaar. Zou ze bij Vande Lanotte op bezoek gaan, vraag ik me af. Soms knikt Caroline, vast omdat ze haar pr wil oefenen want kennen doen we mekaar niet. Ik graaf al een paar dagen in mijn geheugen wat ik in columns ooit aan minder fraais over haar schreef. Maar ondertussen vind ik het toch sterk dat een zogenaamde toppolitica op vakantie gaat in eigen land en dan nog de cultuurkaart trekt. Goede punten. Nu hoor ik hier de betere TAZ-tooghangers dit fenomeen wel verklaren als ‘ze zit in de Raad van Bestuur van ’t Arsenaal’. Blijkt zo te zijn, maar dan nog. Joke Schauvliege is minister van cultuur, bovendien woont ze niet eens ver af, maar tot nu toe is ze spoorloos. Ik hou jullie op de hoogte.
Iemand die ik columngewijs ooit wel een veeg uit de pan toediende, was theatermaker Stijn Devillé van Braakland/Zhebilding. Oud zeer, hij had jaren geleden een theaterstuk in de steigers staan waarvan de helft gebaseerd was op schrijfsels van de oerjournaliste Oriana Fallaci. Eigen aan haar drive had ze zich zelfs geëngageerd om er zich persoonlijk mee te bemoeien. Maar plannen zijn dingen die je maakt als bezigheidstherapie in afwachting van je noodlot. Fallaci lag met terminale kanker aan haar bed in New York gekluisterd en moest forfait geven. Devillé kreeg in De Morgen een slordige 4000 tekens om als een verwend jongetje te zitten zeuren over hoe vreselijk dit voor Braakland/Zhebilding wel was. De kostuums waren al af, en haar ziekte zorgde voor werkloosheid onder de acteurs. Ik hield hem voor een man die het begrip prioriteiten niet helemaal vatte.
Maar goed, gisteren dus naar de NMBS loods gefietst waar zijn productie ‘Hitler is dood’ speelde. Ter plekke merkte ik pas dat we drie uur gegijzeld zouden worden, en dat voor een verhaal waar we de afloop reeds van kennen. Stiekem hoopte ik na het eerste deel verbolgen om zoveel theatrale onzin te kunnen weglopen. Maar niets was minder waar. Ik heb genoten van elke minuut. Devillé was erin geslaagd om uit de veelheid van historische bronnen een stuk te distilleren dat 180 minuten boeide. De uitmuntende acteerprestaties van onder andere. Rik Van Uffelen, Kris Cuppens, Dirk Buysse en ook Warre Borgmans hebben daar zeker mee te maken. De soundtrack van Rudy Trouvé ook. Veel volk op de scène, maar toch sober geënsceneerd teksttheater. Intelligent, want in deze versie van het naziproces in Nürnberg gaat niemand vrijuit. De beperktheid van het menselijk vermogen om de verstrekkende gevolgen van onze subjectieve beslissingen bij voorbaat te overzien, stemt tot nuchterheid. Zo niet tot depressie. Menselijk falen, op alle fronten, gedoemd om zich te herhalen.
Ik zat even te piekeren hoe ik deze productie zinvol in het ‘migratie/identiteit’-thema gepast kreeg. De Jodenhaat met uitbreiding naar vreemdelingenhaat op zich zou wat te makkelijk zijn. Maar dan vat de oud-bondskanselier die de coalitie aanging met de Nationaal Socialisten zijn verdediging aan. Zijn keuze tussen de grootste partij uitsluiten en hiermee de democratische grondwet overtreden en riskeren dat ze onrechtmatig de macht claimen of hen opnemen in de regering, is zeer actueel. Wanneer hij de jonge Britse aanklager voor de voeten werpt dat hij net dezelfde keuze had kunnen maken, of dat de geallieerden eerder hadden kunnen optreden, moeten we toegeven dat de geschiedenis geschreven wordt door de overwinnaars. Maar zijn die er wel? In Oostenrijk heeft men met Haider net hetzelfde risico gelopen, alleen was wellicht de wanhoop van het volk niet groot genoeg om hem daarna nog sterker in het zadel te helpen.
Zelfs zonder al teveel voorkennis is de voorstelling goed te volgen, zij het wellicht wat abstracter. Wanneer Speer de volle verantwoordelijkheid neemt voor de werkkampen waar niets minder dan dwangarbeid werd verricht, moet ik slikken. Ik denk aan het sigarenkistje dat ik thuis bewaar met daarin het Duitse werkpasje van mijn vader, de voedselbonnen en zijn brieven aan het thuisfront. Hij was twintig of zo, net gehuwd met mijn moeder en weggevoerd. Drie jaar lang werd hij ergens gegijzeld diep in Duitsland. Later kreeg hij er een klein oorlogspensioentje voor.
Wanneer Goering er op drukt dat de jonge snaken van het tribunaal moeten beseffen dat ze met historische figuren te maken hebben, heeft hij half gelijk. We moeten eindelijk beseffen dat we ooit allemaal historische figuren zijn, hoe klein onze rol ook lijkt. Want collectief nietsdoen kan zeer verstrekkende gevolgen hebben.
Wees gerust, ik ben er niet somber van geworden. Dat is nu het goede van Oostende dat je een kwartier na het applaus alweer vrolijk door de stad fietst. Op naar de volgende garnaalkroket of voorstelling.
Tot hier en niet verder,
(groeten van Caroline) Chris
WILLEM ELSSCHOT MET HOGE 'STREET CREDIBILITY' Acteur Warre Borgmans en muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding hebben zich gewaagd aan Het dwaallicht van Willem Elsschot. Ze hebben de melancholische novelle uit 1946 binnenstebuiten gedraaid en er een sfeervolle en spetterende voorstelling van gemaakt, afwisselend ruw, gechargeerd en ingetogen.
Een veelstemmige acteur, een stel morsige muzikanten en een rudimentair podium. Een simpele maar sfeervolle locatie, van het soort waarop de Zomer van Antwerpen het patent blijkt te bezitten. Voeg daarbij de gezonde dwarsigheid van bewerkers en regisseurs Adriaan Van Aken en Stijn Devillé, die Elsschot met respect maar eigenzinnig benaderen, en je hebt de ingrediënten van de meeslepende muziektheatervoorstelling Dwaallicht.
Het dwaallicht is het laatste voltooide boek van Elsschot. Het is een melancholische novelle over een nachtelijke dwaaltocht door Antwerpen. Vier mannen - de ‘autochtoon’ Laarmans en drie Afghaanse matrozen - zijn op zoek naar de bloedmooie zakkennaaister Maria Van Dam. Een avond lang blijven ze de vrouw najagen als een schim. Ze blijft onvindbaar. Het adres dat zij ’s ochtends aan de matrozen gaf, is Kloosterstraat 15 en daar begint de voorstelling ook. Hoewel. Helemaal in de geest van het boek - Maria woont niet in Kloosterstraat 15 - blijkt de voorstelling niet daar maar op een andere, geheime locatie plaats te vinden. Borgmans neemt het publiek mee voor een korte dwaaltocht. Twee plekken uit Het dwaallicht worden aangedaan - het politiebureau en Lange Ridderstraat 71 -, waardoor de toeschouwers visuele aanknopingspunten krijgen. Een prima vondst.
In een voormalig seniorenlokaal om de hoek staat een gammel podium, opgebouwd met palletten en met enkele eenvoudige rekwisieten als vogelkooien en een platenspeler. Door de ramen zie je langzaam de duisternis invallen, terwijl Laarmans met zijn matrozen vruchteloos door de stad trekt. En zo zie je ook - toeval of niet - enkele nieuwe Belgen rondhangen in het plantsoentje op de achtergrond, alsof ze deel uitmaken van de voorstelling. Eén van de thema’s is immers de vreemdelingenhaat, die Laarmans en zijn drie ‘zwartjes’ in het Antwerpen van 1938 ondervinden.
Borgmans trekt zijn colbertjasje aan, zet een deukhoed op en is in één klap Laarmans geworden. Maar, net als Laarmans, heeft hij een meervoudige persoonlijkheid. Hij speelt de brave burgerman, die snel verleid wordt tot een avondje stappen op zoek naar een vrouw van het volk. Maar Borgmans neemt ook alle andere personages voor zijn rekening én laat de vele acteurs in hem de vrije loop. Hij schmiert en chargeert, danst en geeft het volk een Antwerpse stem. Hij vecht buiten, in het plantsoen, met bomen alsof hij een moderne Don Quichot is. Het wordt zelfs pure slapstick als hij een dikke agent gestalte geeft. Vier, vijf speelwijzen en registers door elkaar en toch verbrokkelt de voorstelling niet. Het maakt ze integendeel sterker en spannender.
Borgmans staat soms naast zijn personages en plots is hij dan weer de in zichzelf gekeerde, tobbende Laarmans. Na een charge wordt de voorstelling plotsklaps ernstig: als een van de Afghanen door een agent bij de kraag wordt gevat en ‘bloody nigger’ wordt genoemd of als Laarmans beseft dat de jaren hem niet wijzer maken en zijn hart onstuimig blijft. Uitgerekend dan vallen de muzikanten in met het toepasselijke lied ‘Only a Fool’. De voortreffelijke soundtrack van Rudy Trouvé en kompanen swingt overigens op eigenzinnige wijze: doo wop, close harmony en jazz, maar ook blues, die zo van een Amerikaanse katoenplantage lijkt te komen. De muziek ondersteunt de tekst en komt er soms in de plaats van. Want de tekst wordt niet integraal gespeeld: vooral de meer dramatische of introspectieve momenten werden geselecteerd. Het gesprek over het communisme is bijvoorbeeld vervangen door het enige niet zelf gecomponeerde nummer: ‘Tanz der Mussolini’ van D.A.F..
De grootste verrassing is bewaard voor het slot. In plaats van een melancholisch einde met Laarmans die zich bij de situatie neerlegt en naar huis gaat, zetten de muzikanten ‘A Tavern in the Town’ in, waaruit Elsschot in zijn slotregels citeert. Het blijkt een uitbundig drinklied te zijn. De boodschap is duidelijk: Laarmans ging uiteindelijk toch niet naar huis, maar liet zich meelokken door de klank van de stad en dook het nachtleven in. Ook het publiek wordt nog de nacht in gestuurd, want wie wil krijgt een adresje (inderdaad op een stukje papier gekrabbeld) waar een passend cadeau afgehaald kan worden. En zo kan ieder die dat wil, aan een dwaaltocht beginnen. Met of zonder gekleurde medemens. (Eric Rinckhout in De Morgen)
OP ZOEK NAAR MARIA
Terwijl iedereen aan het televisietoestel gekluisterd zat om Spanje en Nederland de finale van de wereldbeker voetbal te zien uitvechten, werden wij onze zetel uitgedreven door de lokroep van een nationale trots. In het voetbal mogen we dan van de wereldkaart verdwenen zijn, ‘De Zomer van Antwerpen’ plaatst naast een hele reeks buitenlandse voorstellingen ook literaire helden van eigen bodem. Braakland/ZheBilding maakt in coproductie met De Stad Van Elsschot, een cultureel stadsfestival dat de Antwerpse schrijver herdenkt, een muzikale vertelling van Elsschots novelle ‘Het Dwaallicht’.
Frans Laarmans is een trouwe burger die op zijn uitstapjes naar zijn stamkroeg na vlot meedraait in de geoliede machine van de burgerij. Hij is zich zeer bewust van de bekrompenheid van de kring waarin zijn leven aan hem voorbijtrekt. De beslissing om drie Afghaanse scheepslui te vergezellen op hun zoektocht naar het meisje Maria Van Dam is dan ook snel gemaakt. Wij volgen Laarmans op die nachtelijke escapade door de Sint Andries wijk.
De plaats van afspraak is Kloosterstraat 15. Geen spoor van Maria Van Dam maar wel een warm welkom van Warre Borgmans. Hij gidst ons door enkele straten die een belangrijke rol spelen in het verhaal van Laarmans om zo bij de uiteindelijke speelplek aan te komen. De korte tocht door de wijk doet wonderen voor de voorstelling. Het nutteloze dwalen, we hadden evengoed bij de speelplek zelf kunnen samenkomen, past helemaal in de geest van het verhaal en door het aanschouwen van enkele cruciale plekken uit het verhaal krijgt de wijk een levend karakter. Borgmans is daarbij een uitstekend acteur om mee op pad te gaan. Hoewel er bij een vertelling vaak een kloof ontstaat tussen de verteller en de personages, is dat hier geen probleem. Borgmans is Laarmans. En zo onrechtstreeks ook de man achter Laarmans, Elsschot.
Ook de muzikanten zijn meer dan opvulling van de scène. De ‘Pasmansen’ zoals ze naar analogie met de bewoners van de Kloosterstraat in het boek gedoopt worden, zijn het Antwerpse volk. De iet of wat ruige bewoners van de Sint Andries wijk waar verschillende bevolkingslagen elkaar ontmoeten. De frisse Doo Wop deuntjes van het orkest begeleiden niet alleen Borgmans in zijn spel, maar nemen ook delen van het verhaal voor hun rekening. Ze zijn een aanvulling in de vertelling of vervangen weggelaten passages uit het boek. Een concreet voorbeeld hiervan is de cover, het enige lied uit de voorstelling dat niet van hun hand is, ‘Tanz der Mussolini’ van de Duitse groep D.A.F. Het vervangt een geschrapt fragment over het communisme.
Want geschrapt uit het boek is er zeker. Wat overblijft, is goed voor anderhalf uur vertelplezier opgedeeld in 30 stukjes. Maar we krijgen nergens het gevoel naar een verbrokkelde versie te luisteren. Door de wandeling in de wijk, de muziek en het enthousiasme van Warre Borgmans, wanen we ons helemaal mee op pad en willen we kost wat kost Maria Van Dam vinden. Het is een zoektocht naar een droombeeld, onze eigen ontsnapping aan de alledaagsheid en een wonderlijk dwalen door een stad die we dachten te kennen. Maria is geen willekeurig gekozen naam, de link met onze heilige maagd is nooit ver weg. De drie Afghanen zoeken haar als de drie koningen bijgestaan door hun eigen ster die de weg wijst, Laarmans.
Begeleid door het gezoem van voetbalsupporters zetten we na de voorstelling onze nachtelijke dwaling verder. Met een adresje in de hand kan elke tickethouder door de straten van Sint-Andries op zoek naar een mooi aandenken. Al zal de voorstelling zo ook wel bijblijven. (Jesse Vanhoeck op CuttingEdge.be) DOO-WOP MARIA VAN-DOO-DAM (De Standaard) ANTWERPEN - Zo swingend als in ‘Dwaallicht' van Braakland/ ZheBilding zagen we Willem Elsschot nog nooit. Van onze redactrice. Een wandeling onder aanvoeren van Warre Borgmans, een streep ouderwetse muziek, een speelplek met plantsoen, bar en terras: ziedaar de ingrediënten van de perfecte zomervoorstelling die Braakland/ ZheBilding met Dwaallicht brengt. Even dacht ik zelfs dat de jonge negerin die haar lange benen en soepele heupen op een paar hangjochies uitprobeerde, bij de cast hoorde. Niet dus, al had het gekund: regisseur Adriaan Van Aken wou zijn Dwaallicht per se in de Sint-Andrieswijk brengen, een wijk die zowel dure antiekwinkels als sociale woonblokken huisvest. Een wijk waar, zo mag men aannemen, de botte behandeling die Elsschots Afghanen in Antwerpen te beurt valt, tot de orde van de dag hoort. Plaats van afspraak is de Kloosterstraat 15, waar de drie Afghaanse scheepslui uit Het dwaallicht Maria Van Dam hopen te treffen. Frans Laarmans biedt, aangevuurd door de gedachte aan een gewillig vrouwtje, aan om hun op hun zoektocht te begeleiden. Een vrolijke Frans is die Laarmans niet. Hij dwaalt zonder enthousiasme door zijn burgerlijke leven, maar is te tam om zich eraan te onttrekken. Donkerte troef dus, maar dat is buiten Adriaan Van Aken gerekend. De regisseur besloot om zijn volle aandacht op Elsschots humor te richten. Laarmans mag voor één keer de frivoliteit de vrije loop laten die hij anders onderdrukt. Enter Warre Borgmans, die een mooie balans vindt tussen Laarmans' kleinburgerlijkheid en de ironie die hem boven water houdt. Bij momenten komt daar slapstick van, bijvoorbeeld wanneer Borgmans een dikke politieagent met vet Antwerps accent en boertig gevoel voor humor imiteert. Hij waagt zich ook met overtuiging aan hilarische danspassen wanneer hij het woord aan de vijfkoppige muziekband afstaat. Die band, in outfits die niet zouden misstaan in een film noir, trekt voluit de kaart van de doo-wop, prettig in het oor liggende samenzang met Amerikaanse roots. En nee, dat is geen van de pot gerukte keuze. Het treurige liedje waarmee Het dwaallicht eindigt, blijkt in werkelijkheid, zo viste de regisseur uit, geen afscheids- maar een drinklied. De beslissing om er amusementsmuziek bij te maken, is tekenend voor de hele aanpak van Braakland/ZheBilding. Het gezelschap legt een verfrissend gebrek aan respect voor Elsschots tekst aan de dag. Geen woord te veel in een boek van Elsschot? Braakland/ZheBilding gooit er nochtans forse lappen uit, zonder dat de kern verloren gaat. Met de muziek legt het gezelschap er zelfs een laag bovenop, de laag van het heimelijke vertier waar Laarmans van droomt. Dit is muziektheater op zijn best: de muziek dient niet als illustratie of sfeerschepper, maar vormt een verhaal op zichzelf. Leuke vondsten zijn er ook op dit niveau. Zo dient een vogelkooi als percussie-instrument wanneer Kloosterstraat 15 geen Maria maar een vogelkooienwinkel blijkt te huisvesten, en speelt de band een uitstekende cover van ‘Der Mussolini' van DAF, wanneer Laarmans en zijn Afghanen hun levensbeschouwelijke visies naast elkaar leggen. De inventiviteit houdt zelfs niet op bij de laatste noten van het drinklied waarmee de voorstelling eindigt. Als afscheid krijg je een stukje papier met een adres, waar je om een presentje mag gaan. Eén goede raad op deze wandeling: blijf beleefd tegen de Afghanen van de dag. (Eva Berghmans in De Standaard)ZOU HIER DAN TOCH MARIA VAN DAM HEBBEN GEWOOND? (KNACK)Een rasacteur als Warre Borgmans en een schare even dwarse als enthousiaste muzikanten. Allen met de ademtocht van ’t stad in hun nek. Je vraagt je af waarom Elsschots ‘Het dwaallicht’ al niet veel eerder op de agenda van de Zomer van Antwerpen stond. We hadden bijna onze theaterafspraak met ‘Dwaallicht’ (***1/2) gemist afgelopen zondagmiddag. Groot was immers onze verbazing toen de Tour de France (what’s in a name?) doorheen Antwerpen bleek te gaan. Laat het tekenend zijn voor dezelfde uitdijende samenleving waarmee Laarmans, het hoofdpersonage in Willem Elsschots befaamde novelle ‘Het dwaallicht’(1946), geconfronteerd wordt wanneer drie Afghanen zijn pad kruisen. Adriaan Van Aken (concept en bewerking) en Stijn Devillé (regie) van het Leuvense muziektheatergezelschap Braakland/Zhebilding deelden Elsschots novelle op in dertig hoofdstukjes. Sommige van die hoofdstukken duren meer dan vijf minuten, andere zijn nauwelijks een zin lang. Het levert in totaal een stadswandeling van een kleine twee uur: na een korte fysieke wandeltocht, de langere mentale trip, geheel eigen en getrouw aan Laarmans’ – en Elsschots - afdwalende gedachten. Want het mag deze dagen snikheet zijn, ‘Dwaallicht’ katapulteert je terug naar die ‘miezerige novemberavond in 1938’ wanneer Frans Laarmans op weg naar huis drie Afghaanse matrozen ontmoet. De eerste – Laarmans doopt hem in zijn gedachten Ali – heeft een kartonnetje in de hand met daarop een naam en adres geschreven: Maria Van Dam, Kloosterstraat 15. Het begin van een avontuurlijke zoektocht doorheen de stad. Gidsbeurt Kloosterstraat 15. Daar spreken we ook af voor deze theatertocht. Het pand staat gekend als het Mercator-Orteliushuis, genoemd naar de twee aardrijkskundigen die er ooit gewoond zouden hebben en het feit dat de voormalige Koninklijke Aardrijkskundige Kring er ooit gevestigd was. Voor een verhaal dat het dwalen in kaart brengt, getuigt dit adres dan ook van een ironie, die de schrijver Elsschot betaamt. In ‘Het dwaallicht’ treft Laarmans en zijn gevolg er in plaats van een schone jonge deerne de kribbige mevrouw Pasmans. Wij treffen er acteur Warre Borgmans aan die ons gidst naar de uiteindelijke speelplek: rechts en naar rechts, en dan links en links en weer rechts! Van de Kloosterstaat gaat het naar het Munthofparkje, langs de Lange Ridderstraat (let op nummer 71) naar het Sint-Andriesplein (het politiekantoor uit ‘Het dwaallicht’ is nu een bibliotheek) en vandaar naar een verlaten seniorencentrum dat uitziet op een plantsoen. Van links naar rechts wordt ook ‘Het dwaallicht’ van Elsschot meestal gelezen. Als een verhaal over vreemdelingen, over de xenofobie en racisme van de Antwerpenaars versus de nieuwsgierige blik en tolerante houding van Laarmans. Natuurlijk zijn er de vele min of meer ‘synoniemen’ voor de vreemdeling: ‘rijstkakker’, ‘kroeskop’, ‘zwartje’ maar ook ‘mijn donkere vriend’ die in het boek terug te vinden zijn, maar dat is maar één facet. Uiteindelijk gaat het ook en vooral over eenzaamheid, vlucht en verlangen. Een lezing die onder meer beklemtoond werd toen enkele jaren geleden bij Theater Zuidpool ‘Het Dwaallicht’ (vertolkt door Bob Snijers) samen met ‘Djurdjurassique bled’ en Pessoa’s ‘Ode aan de zee’ werd opgevoerd als trilogie. Braakland veronachtzaamt het vreemdelingthema niet, noch dat van de existentiële eenzaamheid, maar het is iets anders dat deze makers interesseert, meer dan de woorden, de looppas die eronder verscholen ligt. De muzikaliteit, de flow van het verhaal, soms up tempo, soms weids meanderend. Zoals de tekst tegelijk leest als een stuwende roadmovie, spannende detective en breedwaaierende gedachten over politiek, religie en filosofie verenigt. Tanz der Mussolini Dat precies een muziektheatergezelschap als Braakland met ‘Het Dwaallicht’ aan de slag gaat, mag dan ook niet verwonderen. Adriaan Van Aken maakte tien jaar geleden al een theaterversie van Elsschots novelle als afstudeerproject aan het RITS maar dat was naar eigen zeggen ‘zo’n typische rare abstracte studentenversie’. Versie 2.0 is publieksvriendelijker, met een entertainende Warre Borgmans-met-deukhoed als de ik-verteller (Frans Laarmans, tevens het alterego van Elsschot) gerugsteund door muzikanten Rudy Trouvé, Gunter Nagels, Youri Van Uffelen, Ephraïm Cielen en Tim Liebaert. De songs zijn eigen composities maar de invloeden zijn talrijk. Aanvankelijk klinkt in de muziek de nostalgie van de bebop uit de vroege jaren veertig, stukjes swing jazz en close harmony zang. In het letterlijke midden van de voorstelling (bij hoofdstuk 15, de aankomst in het politiekantoor waar de Afghanen even worden vastgehouden) verandert de toon: met de invallende duisternis in het verhaal wordt ook de muziek donkerder en hedendaagser. Tom Waits en dEUS klinken door. Het orkestje is een soundtrack geworden. We hebben het gevoel dat de voorstelling voor makers en spelers hier meer in de plooi valt, misschien omdat donkerte en dwarsheid net de kant is die artiesten als deze graag exploreren. Die warsheid toont zich ook met de titel van de voorstelling: niet ‘Het dwaallicht’ maar ‘Dwaallicht’. Bepaalde passages uit het originele werk werden immers geschrapt of kregen in de plaats een muzikale invulling Zo is er de cover ‘Tanz der Mussolini’ (‘Tanz der Hitler, der Jezus Christus, der communismus…’) van de eighties punkgroep D.A.F. die Elsschots uiteenzetting over het communisme en geloof vervangt. De politieke fitnessdans die Borgmans erbij verzint, is een beeld dat ons nog lang zal heugen. Tussen droom en daad Borgmans fungeert als verteller, medezanger, dirigent en stoorzender binnen groep. Een beetje zoals de Laarmans-figuur in het verhaal: de burgerman zelftevreden met zijn liberale gedachten, die echter evenzeer getuigen van een misplaatst exotisme, neigend naar een obsessioneel verlangen naar het vreemde om aan het einde van de tocht dan toch maar voor de veilige vertrouwde cocon kiezen. ‘Tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren’. Het is wellicht Elsschots bekende citaat en ook Laarmans is ervan doordrongen. Zoals blijkt aan het slot van ‘Het Dwaallicht’: ‘En nu gauw terug naar huis, naar mijn krant om weer plaats te nemen in de kring van die waar ik aan gebonden ben en die mij vervelen, onuitsprekelijk.’ Laarmans in het verhaal is bij uitbreiding ook Elsschot bij leven, de man die om den brode gans zijn leven lang reclames bleef schrijven (met een lofzang op de Tierenteyn-mosterd), maar droomde van het avontuur. Het is die kracht van de fantasie die hij ook aan zijn personages meegeeft, eenzame vertellers in die mate zelfs dat ze door op hun eigen handelen te reflecteren bijna een buitenstaander worden in hun eigen verhaal. Dat ‘buiten zichzelf treden’ krijgt bij ‘Dwaallicht’ een bijzondere weergave. Borgmans neemt zijn stem op en gaat vervolgens slapstickgewijs als een soort Don Quichote niet tegen windmolens maar tegen de bomen in het park vechten, foeterend – terwijl we binnen in repeat de opname van zijn stem horen. ‘Only a fool’ zingen de muzikanten. Onstuimig verlangt het hart, gebonden zijn de handen, aan de realiteit. Elsschot: de pennenlikker maar dan wel één die dat zo passioneel deed dat het nog steeds onze verbeelding prikkelt. Tot slot nog dit. Misschien een verrassingsbederver maar we geven het toch even mee. Na de voorstelling krijg je aan de bar een kaartje met een adres, in ruil voor je toegangsticket kan je op die plek een exemplaar van Elsschots originele novelle krijgen. Na de voorstelling kan je dus aan je eigen dwaaltocht door Antwerpen beginnen. ‘Ik wil deze nacht in de straten verdwalen’ zong Wannes Van de Velde. Wannes en Willem, de vrijbuiter en de burgerman. Hoe uiteenlopend hun wegen, het hart klopt op dezelfde plek. (Liv Laveyne in Knack)
BRAAKLAND/ZHEBILDING WORDT STADSGEZELSCHAP
DE MORGEN
Braakland/ZheBilding en fABULEUS mogen zich officieel stadsgezelschappen van Leuven noemen
LEUVEN l Muziektheatergroep Braakland/ZheBilding en jongerentheater en -dansproductiehuis fABULEUS zijn gisterenavond ingehuldigd als stadstheatergezelschappen van Leuven. De titel is meer dan louter een eer, maar betreft een (nog) nauwere samenwerking met de stad.
"We kregen al een structurele subsidie van de stad en maakten ook geregeld voorstellingen waarbij Leuven als inspiratiebron diende. De samenwerking met de stad wordt nu geïntensifieerd met een convenant tot 2013", verduidelijkt Stijn Devillé van Braakland/Zhebilding. Samen met fABULEUS en andere culturele organisaties verhuist Braakland binnenkort van de Molens van Orshoven naar het Openbaar Entrepot, dat ze met een renteloze lening van de stad kunnen verbouwen.
Daarnaast is er de verdere samenwerking met het cultureel centrum 30cc, dat voor logistieke en communicatieve ondersteuning blijft zorgen. "Maar bovenal is deze huldiging als stadstheatergezelschap natuurlijk een morele steun, het doet deugd om te weten dat de stad houdt van cultuur en theater in het bijzonder", vindtDevillé.
"Voor ons is de titel van stadstheatergezelschap ook een inhoudelijk verhaal, aangezien we in onze voorstellingen een speerpunt maken van hoe we ons als mens, als individu en in groep verhouden tot de maatschappij, de wereld." Zo maakte Braakland dit seizoen in het kader van het stadfestival Kulturama de voorstelling Naast: verhalen van de Leuvenaars werden toen verzameld en vervat in een muziektheaterproductie die speelde in het leegstaande Sint-Pietersziekenhuis. Ook komend seizoen speelt Braakland opnieuw op ongewone plekken in Leuven zoals het museum M, de stadsbibliotheek Tweebronnen en het Muziekdepot. "Maar het is natuurlijk niet zo dat we ons gaan opsluiten in Leuven", benadrukt Devillé. "Integendeel, komend jaar spelen we meer dan ooit op verplaatsing."
Zo gaat begin juli op de Zomer van Antwerpen Dwaallicht in première, een rock-'n-rolltocht doorheen Antwerpen op basis van Willem Elsschots bekende verhaal, met in de hoofdrol Warre Borgmans als Laarmans.
(LILA)
HET LAATSTE NIEUWS
fABULEUS en Braakland/ZheBilding zijn 'stadsgezelschappen'
Schepen Denise Vandevoort heeft de plaatselijke productiehuizen fABULEUS en Braakland/ZheBilding beloond met de titel 'stadsgezelschappen'. De nieuwe ambassadeurs moeten het Leuvenwe theater op de kaart zetten.
"Er zijn al vele jaren meer dan professionele banden tussen het Leuvense cultuurcentrum 30CC en de lokale productiehuizen fABULEUS en Braakland/ZheBilding", zegt schepen van Cultuur Denise Vandevoort (sp.a).
Groeiend publiek
"De twee gezelschappen kenden de voorbije jaren ook een steeds groeiend publiek, in binnen- en buitenland, én ze vielen met hun producties meermaals in de prijzen. Daarom bedachten we - na de stads-DJ, de stadskok en de stadsfotograaf - de eretitel 'stadsgezelschap'. We hebben ook beslist om al hun premières in het seizoen 2010-2011 in het programma van 30CC op te nemen", vervolgt schepen Vandevoort. Eerder stelde de stad Leuven al een stads-DJ, een stadskok en een stadsfotograaf aan.
(KBH)
DE TIJD
Het muziektheatergezelschap Braakland/ ZheBilding en de theater- en dansgezelschap fABULEUS uit Leuven mogen zich voortaan 'stadsgezelschap' nemen. Dat heeft het Leuvense stadsbestuur beslist. De samenwerking met de stad Leuven loopt zeker tot en met 2013 en behelst onder meer structurele subsidies, productieopdrachten en financiële ondersteuning voor de huisvesting.
DE VREEMDELING
De zon als motief om een moord te plegen
Het Leuvense muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding bewerkte de klassieke roman van Albert Camus tot een theatervoorstelling. De Vreemdeling is een sterke combinatie van tekst en muziek. In 1942 schreef Albert Camus de roman l'Etranger. Meursault, het hoofdpersonage, is net als Camus zelf een pied-noir, iemand van Franse afkomst die in de Noord-Afrikaanse kolonie Tunesië ging wonen. Maar Meursault is niet alleen vreemd omdat hij van een andere origine is. Ook zijn koele reacties op de op til zijnde gebeurtenissen maken hem tot een buitenbeentje. Liefde na de dood Regisseurs Stijn Devillé en Adriaan Van Aken gingen in 2005 aan de slag met de roman en laten in De Vreemdeling, dat dit seizoen hernomen wordt, een kwartet spelers de verschillende rollen vertolken. Enkel Pieter Genard speelt maar één rol: de ik-figuur. Deze Meursault verliest op een dag zijn moeder. Hij keert terug naar zijn geboortedorp en begraaft haar. Volgens de directeur en de conciërge van de instelling waarin ze verbleef, toont Meursault echter weinig empathie: hij wil het lijk niet zien en huilt niet op de begrafenis. Bovendien leert Meursault de dag nadien een nieuw meisje kennen op het strand, met wie hij na een avond in de bioscoop al meteen in zijn huis belandt. Al deze gebeurtenissen zouden onopgemerkt gebleven zijn, indien zich even later niet het volgende zou aandienen: Raymond Sintès (Dirk Buyse), de opdringere buur van Meursault, heeft zijn minnares geslagen. Hij spant Meursault voor zijn kar en laat hem een valse brief schrijven naar de politie, zodat Sintès toch vrijgesproken wordt. De Arabische broer van de minnares koestert echter wraak. Wanneer Mersault en Sintès hem en zijn vrienden tegenkomen tijdens een uitje aan de kust en het tot een akkefietje komt, schiet Mersault op hem. En dat niet eenmaal, maar viermaal. Op zijn proces (deel twee van de roman) draait het niet zozeer om het feit dat hij een Arabier heeft vermoord (zo waren er toch genoeg), maar wel of Mersault empathieloos is. Voor de openbare aanklager is er immers een duidelijk verband tussen Meursaults houding op de begrafenis en de moord, wat wordt gelieerd aan het feit dat Meursault goddeloos zou zijn. Uiteindelijk wordt hij veroordeeld tot de guillotine. Broeierig en verfrissend Dat Braakland sterk is in rechtspraaktheater, bewees het vorig jaar al in Hitler is dood (coproductie met 't Arsenaal), waarvoor schrijver en regisseur Devillé de Taalunie Toneelschrijfprijs won. Pieter Genard is als beklaagde duidelijk sterker dan als aanklager. Sara Vertongen (die Mersaults liefje en advocate vertolkt) speelt dit seizoen in maar liefst vijf voorstellingen van Braakland, waaronder de Leuvense stadsmonoloog Naast. De Vreemdeling is een stevige brok teksttheater met veel beschrijvingen die de acteurs polyfoon schetsen. Een gelijkwaardig sfeerscheppend element is de livemuziek van Geert Waegeman en Gerrit Valckenaers, muzikanten aan huis. Deze keer worden zelfs elastiekjes en de ventilator die op scène staat, gebruikt om muziek te maken. De sfeer is inderdaad erg broeierig. De zon, geeft Meursault tijdens zijn proces dan ook op als reden voor de moord die hij pleegde. De personages verfrissen zich voortdurend met watersprays, een goede dramaturgische ingreep. Heel mooi is het beeld waarin Meursault zichzelf natspuwt. Het slot is voor hem ook figuurlijk een koude douche. Al lijkt zijn terechtstelling toch het hoogtepunt van zijn absurde bestaan te worden: hij hoopt dan ook dat zoveel mogelijk mensen zijn executie zullen bijwonen. Wij hopen dat Meursault nog veel terechtgesteld zal mogen worden in de vele hernemingen van dit straffe stuk.(CJP) Braakland/ZheBilding speelt 'De Vreemdeling' Wij moeten eerlijk zijn met u, lieve lezer, wij zijn zonderlingen. Wij zijn loners, Einzelgängers. Wij hopen dat iedereen met zijn neus uit onze 'business' blijft. Bertje Camus had dat gevoel lange tijd geleden ook al. Wij houden van Bert. Ook al is hij een vreemde voor ons. Uiteraard is De Vreemdeling gebaseerd op de gelijknamige roman van Albert Camus. Het boek behoeft hier geen verder krans. Het valt op dat het verhaal op het podium heerlijk onderhoudend en interessant blijft. Voor de complete leek komt het hierop neer: Meursault heeft een moeder die in een gesticht zit. Zij sterft, hij woont de begrafenis bij. Daags nadien ontmoet hij een meisje met wie hij een relatie begint. Meursault raakt verwikkeld in een liefdesgeschiedenis van zijn buurman, waarop hij uiteindelijk - schijnbaar koelbloedig - een man neerschiet. Hij wordt veroordeeld tot de doodstraf. De tekstschrijvers hebben geprobeerd het boek te vertalen naar een vijfstemmig verhaal, met vier spelers en een belangrijke vijfde rol voor de muziek. Interessant is de manier waarop het vertelperspectief bij Meursault zelf blijft, maar hoe het stuk toch polyfoner wordt door de toevoeging van de andere acteurs, die het verhaal mee vertellen en vorm geven. Bovendien wordt het vertelseltje zeer geestig gebracht. Kleine details en leuke karakteriseringsmechanismes zorgen er voor dat een vrij zwaar verhaal - Meursault wordt toch veroordeeld tot de doodstraf - veel lichter wordt weergegeven. Werkelijk indrukwekkend is de manier waarop de sfeer die van het boek druipt, ook in het toneelstuk tot haar recht komt. Het zware zonlicht en de vermoeidheid van Meursault komen ook vormelijk tot uitdrukking door juiste keuzes qua belichting en door de muziek. Elastiekje Braakland/ZheBilding is dan ook een theatercompagnie die muziek zoveel mogelijk probeert te betrekken op haar stukken. Gerrit Valckenaers - die bij fABULEUS muziek heeft gemaakt voor onder andere Never Let Me Go - ontwierp samen met Geert Waegeman - vorige maand nog in de Centrale Biblitoheek te zien met Wolf en Peter Holvoet-Hanssen - muziek die perfect aansluit bij de voorstelling. Dat ze die tonen live brengen bij de verhalen van de acteurs, maakt de voorstelling bijzonder levendig en laat ze aansluiten bij de oorspronkelijke sfeer van de roman. Daarenboven kozen de muzikanten niet altijd voor de meest voor de hand liggende instrumenten. Een opgespannen elastiekje zorgt voor een ingenieus geïmproviseerd basgeluid en een ventilator maakt een gonzend geluid dat dan weer enigszins dreigend overkomt. De Molens Van Orshoven, waar Braakland/ZheBilding huist, geeft overigens een extra touchke aan het geheel. In een klein zaaltje, op een krakkemikkig podium, met te weinig zitplaatsen voor alle toeschouwers, zitten de toeschouwers met hun neus op het podium en de acteurs met hun neus in het publiek. Met het lichte gezoem van een pc in de nek, keken we naar een verdraaid goed toneelstuk en bedachten dat je dit toch nog een plek is waar écht iets gebeurt met theater. (Veto) * De pers over NAAST
De verhalenbewaakster en de nacht Leuven, vrijdagavond 12 februari 2010. Ik parkeer mijn wagen aan een duister parkje in hartje Leuven en schuifel over de besneeuwde voetpaden naar de speellocatie van Braaklands Naast . Achter me nog een paar schuifelende voetstappen. Zware, trage stappen die me amper kunnen volgen maar mijn snelle tred toch net weten bij te benen. Hij zat op een bankje in het parkje. Als een ontdooide sneeuwman te midden een sneeuwlandschap. Als we een nachtwinkel passeren, blijft hij staan en fluistert " Mademoiselle, un peu d'argent s'il vous plaît? " Ik koop melk en brood voor hem. Het is ongezien dat Braakland / ZheBilding zijn publiek de stad in stuurt. Met Naast waagt dit muziektheatergezelschap zich voor het eerst aan zogeheten 'locatietheater', theater dat zich op een andere plaats afspeelt dan in de geijkte theaterzaal. Meestal omdat de locatie een extra dimensie aan het vertelde verhaal toevoegt. Of omdat het verhaal uit de locatie zelf ontstaat. Braakland / ZheBilding voegt daar nog een reden aan toe: de geluiden van die locatie vormen de ideale soundscape voor het verhaal. Dit Leuvense muziektheatergezelschap werd eind jaren 1990 opgericht door theatermaker en auteur Stijn Devillé, dramaturge Els Theunis en theatermaker Adriaan Van Aken. Hun liefde voor het gesproken woord en voor herkenbare verhalen met een maatschappijkritische noot werd vrij snel aangevuld met een liefde voor muziek. Samen met muzikanten / componisten als Geert Waegeman, Rudy Trouvé en Gerrit Valckenaers zochten en vonden ze een unieke (muziek)theatertaal waarbij de muziek het verhaal mee vertolkt. De stem is een van de verschillende muziekinstrumenten waarmee het verhaal verteld wordt. Dat 'vertellen' mag u vrij letterlijk nemen want Braakland zweert haast bij verteltheater waarbij de vierde wand zo goed als afwezig is. Wat niet betekent dat de acteurs enkel maar als vertellers en niet als personages op de scène staan. Integendeel. De acteurs vertolken vertellende personages. Dit zijn personages die zich eerder tot een publiek richten met hun vragen, twijfels en bedenkingen dan deze in een dialoog met de andere personages uit te spreken. Vorig seizoen leverde dit gezelschap, in coproductie met het Mechelse 't ARSENAAL, de sterke voorstelling Hitler is dood af. Tegelijkertijd trok ook hun Gevoelige mensen door Vlaanderen. Beide voorstellingen zijn amper te vergelijken: grootschalig versus intiem en sterk verhalend versus breekbaar en fragmentarisch. De creaties delen wel de muziek als wezenlijke vertolker van het verhaal. Bij Hitler is dood (tekst en regie door Stijn Devillé) zat een eigenzinnig en onalledaags driemansorkest op het podium terwijl de acteurs van Gevoelige mensen (tekst van Adriaan Van Aken) plaatsnamen achter een soort muziektafel waarmee ze stemmen en gitaarfragmenten sampleden tot een intrigerende roadmovie on scene . Deze 'tweedeling' is eigen aan Braakland. Devillé is een verteller van grote, in de maatschappelijke klei gewortelde verhalen. Van Aken en ook Sara Vertongen (vaste waarde binnen de ploeg acteurs waar Braakland bij voorkeur mee werkt) koesteren een voorkeur voor kleine, herkenbare, intieme verhalen die in al hun kleinheid evengoed de grote maatschappelijke thema's aanraken. Daar is Naast - concept, regie, tekst en spel van Sara Vertongen en muzikant Gerrit Valckenaers - een geslaagd voorbeeld van. (Els Van Steenberghe in Knack) Op zoek naar de ziel van de stad De stad is een onuitputtelijke inspiratiebron. Wie wil, kan probleemloos opgaan in de anonieme massa, maar wat met de levensverhalen van de mensen die er ronddwalen? Wie redt de weinige sporen die we nalaten? Theatermaakster Sara Vertongen dringt als een onopvallende stadmus binnen in het leven van de Leuvenaar. Flarden van conversaties, krabbels op boodschappenlijstjes, oude trouwfoto’s, zij redt ze van de vergetelheid en schenkt ze een tweede leven. Ze vertelt over haar nachtelijke zwerftochten door de stad, want voor NAAST – (De verhalen die wij zijn) verzamelde Sara fragmenten van mensenlevens. Onbekenden die haar pad kruisten op café, in een rusthuis, op straat, ze komen allemaal aan bod. Geheimen Op de bovenste verdieping van het Sint-Pietersziekenhuis leidt Sara ons door haar verzameling. Een verzameling die nooit compleet is en waaraan de toeschouwers zelf ook bijdragen, al dan niet bewust. In haar opslagplaats laat Sara het publiek de collectie zien, horen en ruiken, en ze leest geheimen voor die ze verzamelde in een geheimenmachine. Ook wie de voorstelling bezoekt, kan zijn steentje bijdragen: wie wil, mag Sara een kaartje sturen met daarop een geheim naar keuze. De voorstelling vindt plaats op de bovenste verdieping van het vroegere Sint-Pietersziekenhuis, vanwaar je een uniek uitzicht hebt op de stad Leuven, gehuld in de duisternis. Ook binnen is het licht gedimd. Er staan rekken volgestouwd met gelabelde dozen en bandopnames. Een groot stadsplan dient als leidraad door de schijnbare chaos. Woord en muziek vullen elkaar aan, snippers van mensenlevens vloeien in elkaar over en op het einde van het stuk mag ook de stad zelf haar zegje doen. Niet enkel toeschouwer NAAST – (De verhalen die wij zijn) is qua opzet eigenlijk doodsimpel, maar de overtuiging waarmee Sara Vertongen haar verhaal brengt, maakt het stuk ijzersterk. De unieke locatie waar NAAST gebracht wordt, draagt ook bij aan de sfeer. Toch blijkt die locatie een toevalstreffer te zijn, zo vertelt de theatermaakster. “Het kon even goed een loods aan de Vaart geweest zijn, wat dan weer andere mogelijkheden schept.” Het enige minpuntje aan deze prachtlocatie is de koude in het gebouw, maar Sara beloofde na afloop dat ze voor de volgende voorstelling op zoek zou gaan naar dekentjes of jassen om aan het publiek uit te lenen. Het Sint-Pietersziekenhuis doet tegenwoordig trouwens dienst als studentenresidentie. “Het was een fijne ervaring om met de studenten samen werken,” zegt Vertongen. “Zij hebben ook de try-outs mogen beoordelen, dus ze waren echt wel deel van het gebeuren.” Of de geheimen die ze op de scène onthult ook van de studenten komen, geeft ze niet prijs. “De voorstelling is gebaseerd op echte levensverhalen en echte geheimen, regelmatig aangevuld met een flinke scheut fantasie,” vertelt ze. “Die geheimen hebben we ook zelf verzameld. Zo zijn we onder meer op pad gegaan met onze geheimenmachine en hebben we mensen aangeboden om ons hun verhaal te vertellen bij een kop koffie.” Toch is niet alles is wat het lijkt. Want wie denkt dat hij in NAAST gewoon maar een toeschouwer is, zou zich nog serieus kunnen vergissen. (CJP)
Strip-met-soundtrack 'Weer over naar jou' in de pers: * Drie jaar geleden wijdden we een ganse pagina aan het boek 'Over naar jou' van Philip Paquet en Adriaan Van Aken. De wisselwerking tussen toneelauteur Van Aken en de Antwerpse 'King of Cool' zat er knal op. We waren ook erg gecharmeerd door de soundtrack die de sfeerschepping nog wat verhevigde. Ondertussen is ook 'Weer over naar jou' verschenen. Het boek is de opvolger van 'Over naar jou' en ook nu is er weer een soundtrack bijgevoegd. Maar beschouw het zeker niet als een deel twee in de reeks. Waar de auteurs in het eerste boek vooral de nadruk willen leggen op maatschappelijke fenomenen, hebben ze zich hier geconcentreerd op de persoonlijke vervreemding van de jonge - dit keer vrouwelijke - hoofdpersoon, die doelloos en afgestompt door onze op consumptie gerichte maatschappij doolt. Haar ontsnappingspogingen zijn futiel; 'Weinigem Shopping Center' trekt haar aan zoals de vlam de mot aantrekt. Maar haar aankopen kunnen haar lege leven niet vullen. De auteurs hebben hier wederom een bijzonder knap album gemaakt waarin de (troosteloze) sfeer hand in hand gaat met rake observaties over de marketingtrucs van de grote concerns, het onvermogen tot communicatie met de medemens, en de holle en futiele manieren waarop mensen hun bestaan proberen kleur te geven. Het boek laat je na het lezen met een wat wrange smaak in de mond achter. Wrang omdat het zo'n rake schets is van de doelloze consumptiedrang van de mens. (Gonzo - magazine over vernieuwende kunst en cultuur)
* "De schrijver schetste een raak en treffend beeld van de realiteit, de tekenaar maakte er prachtige tekeningen bij die het wanhopige gevoel van ik-ben-alleen-op-deze-****-wereld nog versterken en de muzikant componeerde een soundtrack die het geheel gelukkig iets beter verteerbaar maakt." (sb in Metro)
* Van Aken vertelt op een erg persoonlijke manier die de beleving voor de lezer versterkt. De mooie prenten met veel herkenbare plaatsen (M&H, Weinegem Shopping Center) versterkt dat gevoel nog. Door dat realistische niveau stemt deze strip tot nadenken. Echt happy wordt een mens er niet van, al gaat Van Aken niet bepaald de pessimistische toer op. De absurde situaties waarin deze jonge vrouw verzeild geraakt maken het een stuk lichtvoetiger. Wie hierbij dromerige of ijle muziek verwacht komt bedrogen uit. Van Uffelen zorgt voor stevige rock met een strak ritme en herkenbare riffs. De sporadische rustige passages bieden korte momenten voor meditatie en reflectie. Al bij al een passende soundtrack bij dit verhaal waarin ernst en absurde humor hand in hand gaan. Het geheel geeft een aparte leeservaring die de moeite meer dan waard is. (wida in Het Nieuwsblad)
"Opnieuw voegen de beelden meer toe aan de tekst dan letterlijke illustraties. Ze expliciteren de tekst, maken hem soms harder, maar tonen ook dat de auteurs het denken in beelden, compleet met grafische metaforen die in een strip zo goed werken, helemaal onder de knie hebben. Tekenaar Paquet voelt zich als een vis in het water in zulke hedendaagse stedelijke settings. Net zoals 'Over naar jou' wordt 'Weer over naar jou' vergezeld door een soundtrack, die door Youri Van Uffelen speciaal voor de strip werd gecomponeerd. Zo wordt het multimediale karakter van het muziektheater dat Van Aken gewoonlijk maakt, zo veelzijdig mogelijk omgezet in een leeservaring, die crescendo gaat naar de dramatische ontknoping." (Gert Meesters in Knack)
"Een onverwachte meerwaarde is de soundtrack van Youri Van Uffelen. Strip-met-soundtrack is een ongewoon concept. In dit geval zit de moeilijkheid vooral in het afstemmen van je leestempo op de muziek, maar wanneer dat lukt, is het een interessante ervaring, en alleszins meer dan zomaar een gimmick. Interessant: Paquets Over naar jou is heruitgegeven, met ook een eigen soundtrack." (Michel Kempeneers in De Standaard)
"In zijn typische tekenstijl levert Paquet weer een mooi boek af. Wie het werk van Paquet kent, zal dus niet verrast worden. Uiteindelijk draait het bij Paquet om sfeerschepping. Daar slaagt hij in, al zijn het niet direct good vibrations. Tijdens en vooral na het lezen van dit boek zit je met een onbehaaglijk gevoel. Een gevoel van frustratie ook. En dat is precies wat het boek lijkt te beogen. Dit is géén strip als tussendoortje, dit neigt naar een pamflet. Bovendien is dit een conceptalbum. Bij het boek hoort immers een cd die je opzet als je begint te lezen. De soundtrack van Youri Van Uffelen werd speciaal voor het boek gecomponeerd en gidst je erg behoedzaam door het verhaal. Je wordt als lezer uitgedaagd om het juiste vertelritme te zoeken en eens dat lukt, merk je dat de combinatie woord/beeld/muziek erg goed werkt. En nu: Weer over naar Jou..." (Tim Roels op Stripspeciaalzaak.be)
DIE DERTIGERS TOCH
Welkom in de quarterlife crisis Hedendaagse dertigers staan bekend om hun Weltschmerz. Ze blikken vertwijfeld vooruit en kijken nostalgisch achterom. En in tijden van heuse identiteitscrisis durven die twijfelende dertigers zich al eens te ruste leggen op een pechstrook van de autosnelweg. Dat is althans wat S (Sara Vertongen) doet. Met haar dertig lentes weet ze even niet goed welke kant uit in haar leven. Al liggend op de autosnelweg, wordt ze opgepikt door enkele zielsgenoten, A (Adriaan Van Aken, ook auteur van de tekst) en K (Kristof Van Perre, tevens cineast van dienst). Na een korte stop in een tankstation stapt ook de muzikant Y (Youri Van Uffelen, componist van de soundtrack) in. En ze zijn vertrokken: het niemandsland der autosnelwegen in. Tot hun vogelvrije leven de aandacht van de media trekt. Door een blog, zo blijkt. "Een blog?" Er huist een verrader onder hen... Ruw muziektheater Braakland/ZheBilding pakt graag uit met eigenzinnige muziektheatervoorstellingen. Gevoelige Mensen is niet hun meest verrassende creatie maar intrigeert wel door de ruwe enscenering. Niets duur decor, niets fijne kostuums. Als publiek kijkt u tegen een uit de kluiten gewassen tafel vol technische geluidsspullen aan. Daarachter prijken de acteurs in een wat doordeweeks plunje. De voorstelling begint dan ook met verontschuldigingen van de artistiek leider Stijn Devillé: "We hebben bespaard op ons decor om u een luisterspel-CD te kunnen aanbieden." Het maken van die luisterspel-CD nam ook het meeste tijd in beslag. De creatie van deze voorstelling gebeurde daarom grotendeels in de muziekstudio van Youri Van Uffelen met als (prettig) gevolg dat de muziek sterker dan ooit de ruggengraat en het hart van de voorstelling is. De muziek vormt de slingerende autosnelweg waarlangs de personages naar een efemeer doel racen. Zo lichten deze makers en passant een genre uit de vergetelheid: het luisterspel. Toch onderstreept het gezelschap met deze voorstelling net de grenzen - of beperkingen - van het medium. De kracht van de voorstelling schuilt precies in de pittige cocktail van het sobere maar ijzersterke acteerwerk, de steengoede en live gespeelde soundscape van Van Uffelen en de knappe roadmovie van Van Perre die op het scherm achter de acteurs wordt geprojecteerd. Het resultaat is een voorstelling die het publiek meeneemt op een vlucht uit de hyperkinetische realiteit en het een verblijf aanbiedt tussen een bende rare snuiters met het hart op de juiste plaats. Of toch niet? (Els Van Steenberghe in Knack)
GENERATION X IN DE DERTIGERSDIP Ines Minten – theatermaggezien.com
Ze noemen zichzelf gevoelige mensen, want ze 'voelen veel'. Ze zijn geen club, ze zijn geen sekte, maar ze zijn ook niet meer de individuen die ze vroeger waren. Gelukkig maar, vinden ze zelf. Ze zijn gewoon vier dertigers voor wie het allemaal even niet meer hoeft. Ze voelen zich nog jong, maar beseffen dat hun leven stilaan opschuift en dat ze er nog niets wezenlijks mee hebben gedaan. Zullen ze dat nu samen wel gaan doen, dan? Waarschijnlijk niet. Ook dat weten ze. Ze hangen samen rond, doen dingen die pubers zouden doen als ze een rijbewijs hadden. Ze besluiten dat het oké is om elkaar naakt te zien. 'Als het daar dan maar bij blijft.' Ze nemen afscheid van al wat hen afremt, van wat hen bindt aan het leven dat ze hadden maar niet (langer) wilden hebben. Ze heten voortaan kortweg A (Adriaan Van Aken), S (Sara Vertongen), K (Kristof Van Perre) en Y (Youri Van Uffelen). En als hun toestand op een dag onhoudbaar blijkt? Och ja, dan kunnen ze altijd nog doodgaan. Generatie X is volwassen geworden en beleeft een dertigersdip die haar pubernihilisme in alles overtreft.
De sfeer en personages uit de tekst van Adriaan Van Aken doet me denken aan de hedendaagse Vlaamse literatuur à la Saskia De Coster en Annelies Verbeke. Personages waar een serieuze hoek af is, maar die ondanks enkele bizarre trekjes toch herkenbaar zijn. Ze voelen veel, maar doen veel minder, blijven steken in hun lijf en leven, omdat ze iets anders willen maar niet goed kunnen bedenken wat precies.
Ook de opbouw van de voorstelling leest als een roman. De typische dialoogstructuur van de traditionele theatertekst wisselt af met een literaire vorm.
K: Zie je die rookpluim? A: zegt K K: Dat is waar onze auto stond. A: S heeft een fakkel gemaakt, is weggewandeld, en toen ze terugkwam, lichtte de hemel op.
Muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding speelt graag met de grenzen van verschillende media. Tot nu waren het vooral theater en muziek die in hun voorstellingen versmolten tot een geheel eigen stijl. De laatste seizoenen kwam daar ook almaar meer beeld bij kijken (zoals bij Roadmovie in 2008). In Gevoelige mensen gaat Braakland een stap verder. De acteurs staan achter een tafel als achter de draaitafels in een discotheek. Voor hen: een half woud aan microfoons, mengpanelen, laptops en ander technologisch vernuft. Als dj's mixen ze hun verhaal aan elkaar. Acteurs interageren met hun eigen geregistreerde stemmen en met de beelden die op een scherm achter hen voorbijlopen. Die interactie gebeurt nooit verdoken. De technologie is een volwaardige partner op scène. In het begin is dat even wennen. De acteurs lijken bijna illustraties bij de beelden, het geluid en de muziek. Bijna. Niet helemaal. Stilaan groei je met het verhaal mee en als je fantasie het eenmaal heeft overgenomen, merk je de geconstrueerde setting nauwelijks nog op. Voor dertigers van vandaag is een computergestuurde omgeving immers een natuurlijke habitat geworden, één die soms echter lijkt – of in elk geval spannender – dan de realiteit. De personages krijgen dat ook snel door. Er komt belangstelling voor hun club. 'Wij zijn geen club!' Een journalist wil een radioreportage over hen maken. Hoe hij hen op het spoor is gekomen?
'Via jullie blog.' 'Hebben wij een blog?'
Ze hebben een blog waarop hun beslommeringen van dag tot dag staan vermeld. Met dank aan K, die in een vorig leven nog informaticus is geweest en dus mee is op IT-gebied. Mensen herkennen zich in hen. Voor het eerst in hun leven lijken ze echt iets te betekenen. Of blijft hun constellatie toch een grote luchtbel die op springen staat? Hoe tastbaar is een leven in de virtuele werkelijkheid? Op de duur zullen ze toch van dat kruispunt af moeten en de ene of de andere weg inslaan – of die weg nu ergens heen leidt of toch niet.
Gevoelige mensen flitst voorbij als de betere dj-set. Beeld, geluid, samples, stemmen, muziek, live of geregistreerd – het raast en kolkt als de hoofden van de gevoelige protagonisten. Film en muziek staan naast de acteurs, ze hangen er niet als opsmuk bij. Evenmin verdrinken de acteurs in alle technologie die hen omgeeft. Ze spelen ermee zoals dat hoort voor dertigers in de eenentwintigste eeuw. De computeromgeving is een natuurlijke theaterhabitat geworden.
TERUGBLIK MUZIEKTHEATER De Theatermaker - september 2009 - Tobias Kokkelmans Hitler is dood, de nieuwste productie van het Vlaamse muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding (in coproductie met 't Arsenaal), was dé verrassing van de Operadagen Rotterdam 2009. Ze is slechts eenmaal te zien geweest in Nederland, maar het is te hopen dat de productie na haar Vlaamse tournee dit najaar opnieuw ons land aandoet.
Braakland/ZheBilding maakt in wezen interdisciplinair muziektheater. Taal is bij dit gezelschap niet alleen de drager van actuele maatschappijkritische inhoud, maar is altijd ook een ritmisch-akoestisch vormelement binnen een muzikale compositie. Vaak resulteert dat in een vervloeiing van geluid en woorden, een haast psychedelische klankpoëzie, maar bij Hitler is dood neemt de muzikale pendant van Rudy Trouvé, Gerrit Valckenaers en Geert Waegeman duidelijk een terughoudender positie in. Tegen deze subtiele, discrete achtergrond krijgt de doorwrochte tekst van schrijver en regisseur Stijn Devillé alle ruimte.
Opnieuw levert deze ontmanteling van hun vervlochten muzikaal-tekstuele bouwwerk een verrassend effect op. Hitler is dood wordt daardoor bijna toneel. Dat blijkt een juiste keuze; de kracht van de voorstelling ligt in het spel van de acteurs, het stevige script en de benadering van het onderwerp: het proces van Neurenberg. De aanpak is half-documentair, half fictief. Behalve de informatieve waarde - Devillé baseert zich op doorwrochte research en weet die moeiteloos in zijn verhaal te integreren - wisselt het vertelperspectief handig tussen enerzijds de beklaagden en anderzijds de aanklagers. De uitgebreide cast bestaat uit ijzersterke spelers, onder wie Rik Van Uffelen (een bulderende Goering), Warre Borgmans (een arglistige Streicher) en Kris Cuppens (een gevaarlijk intelligente Speer). Steeds moet ik denken aan dat andere toneelstuk over 'het proces van de eeuw': Het Onderzoek (Die Ermittlung) van Peter Weiss. Destijds, in 1965, eiste de naoorlogse generatie de onverbiddelijke waarheid over de Holocaust. De tekst van Weiss bevatte in objectiverende toon de letterlijke Neurenberg-verhoren.* Het stuk werd (jarenlang ook in Nederland) publiekelijk gelezen; een enscenering was ondenkbaar. Een tijdje terug heb ik het tekstboekje gevonden op een rommelmarkt. De opdracht van de oorspronkelijke koper prijkt nog steeds op de vergeelde binnenkaft: 'Moeder, dit zijn feiten.' Slechts vier woorden. Maar ze spreken boekdelen. Vierenveertig jaar later verlegt Hitler is dood het accent van naziverdachten en hun bekentenissen naar de verantwoordelijkheid van de jonge generatie aanklagers en journalisten. Zij denken bij voorbaat het morele gelijk aan hun zijde te hebben, maar raken gaandeweg verstrikt in hun eigen ambities, overmoed en onvermogen om te begrijpen waarin zij verzeild zijn geraakt. Hoe valt de holocaust, zo onbevattelijk, ook te vatten in juridische reglementen? Braakland/ZheBilding brengt met die paradoxale vraag het Neurenbergproces heel dichtbij, en raakt aan een filosofisch vraagstuk dat regelrecht het hart van ons hedendaags maakbaarheidsgeloof treft. (* Tobias Kokkelmans maakt hier een kleine, voor de handliggende vergissing : de verhoren die in Het Onderzoek letterlijk gebruikt worden, zijn niet afkomstig uit het Neurenberg-proces uit 1946, maar uit het evenzeer beruchte Auschwitz-proces uit 1961. SD.)
BOEIEND TRIBUNAAL IN ’T ARSENAAL Hitler is dood ’t Pallieterke – 13/05/2009
Mechelen ligt aan de Dijle en Neurenberg aan de Pegnitz. Ook tussen 2009 en 1946 ligt een hemelsbreed verschil. Dus zullen figuren als Goering (rijksmaarschalk), Von Papen (vicekanselier) en Speer (minister van Defensie) in ’t Arsenaal verrijzen in de gedaante van gehaaide acteurs.
Wat Rik Van Uffelen, Kris Cuppens en Dirk Buyse ten beste geven, is de verplaatsing al meer dan waard. Met fraaie dictie en frappant redenaarstalent jongleren zij met sluwe argumenten: Goering krachtig, cynisch en verblind door eed en trouw, Von Papen fier en veinzend, Speer intelligent en berekenend. Ook Von Ribbentrop (minister van Buitenlandse Zaken) en Schacht (minister van Economische Zaken) zullen zich perfide blijven weren: Jos Geens met oorpijn en duizelingen, Warre Borgmans bulderend als een bankier in crisis. Ook kruipt Warre in het plunje van “pulpuitgever” Streicher. Allen wentelen zich in zelfbeklag, ontkennen feiten of minimaliseren ze, en meten zich clichés aan: “Wij wisten van niets”, “De cijfers zijn overdreven” en “Anderen (Goebbels en Himmler) hebben het gedaan”.
Auteur èn regisseur Stijn Devillé had niet de bedoeling een documentaire te maken, evenmin een nauwgezette reconstructie. Hij interpreteert “het proces van Neurenberg” als een theatrale analyse over schuld en boete. Hij nuanceert en stelt pertinente vragen. Hoe bestraf je grootschalige wreedheden waaraan een groot deel van de bevolking medeplichtig is? Welke mechanismen van het kwaad brengen een holocaust op gang? Hoe weeg je individuele verantwoordelijkheid af in balans met het collectieve? Hoe is het mogelijk dat de ontdane westerling gewoon blijft toekijken? Allerlei vragen die niet alleen “jongeren” zich stellen.
Devillé documenteerde zich op basis van originele notulen, pakken naslagwerk en bronnen met onderwerpen als “Terwijl de strop hen wachtte”. De twee onervaren procureurs raken met de lastige situatie en vraagstelling in de knoop. Als een geïrriteerde yuppie bijt Maarten Ketels (Amerikaan) zich vast in de kluif. In contrast worstelt Pieter Genard (Brit) twijfelend en zachtaardig met een pak paperassen. Een journaliste en een Joodse vrouwelijke psychiater vullen de intrige aan.
Dit tribunaal verloopt grosso modo in drie fasen: presentatie, confrontatie, deliberatie. Tussendoor komen onderonsjes, ontboezemingen en ontladingen aan bod. Het decorum toont een stramien van zware balken. Hoog op een plateau zitten drie muzikanten, enigszins verdoken. “Muziek kan een laag vertolken die vaak de dingen opentrekt.” Merkwaardig geblaas en getokkel (geluiden van typmachines, kogelhulzen, boem boem boem) begeleiden. Meestal veredelen, soms verstoren die “schroothoopklanken” de verbale esbattementen. Het einde grijpt aan. Bij getuigenissen komen gruwelijke feiten aan het licht. Dan zitten de beklaagden op een rijtje en kijken naar filmbeelden die “misdrijven tegen de vrede, de oorlog en de mensheid” extreem schokkend bewijzen. Maar zij wenden het hoofd af, worden misselijk of beginnen te geeuwen; een beklijvend beeld in deze boeiende productie. Vlijmscherp**** Hitler is dood, een nieuwe reden om te juichen Knack, Els Van Steenberghe (u leest hieronder de volledige versie van het artikel zoals op knack.blogt.be) Hitler is dood. In 1945 zorgde dit nieuws voor opluchting en vreugde, in 2009 leidt dat tot meesterlijk muziektheater van Braakland en 't ARSENAAL. Het beste van beide gezelschappen De voorstelling combineert het beste van beide producerende gezelschappen en slaat zowel op muzikaal als op theatraal vlak gensters. Braakland/ZheBilding is een Leuvens muziektheatergezelschap dat sinds 1998 het Vlaamse theaterlandschap verrijkt met theatervoorstellingen die gekenmerkt worden door een muzikale dramaturgie. Artistieke leiders Stijn Devillé en Adriaan Van Aken zoeken als regisseurs/auteurs, samen met huisdramaturge Els Theunis, telkens de complementaire confrontatie tussen woord en klank op. De woorden in hun voorstellingen zijn niet alleen narratieve maar ook muziekcompositorische bouwstenen. Dat die voorstellingen vaak maatschappelijk hete thema's aansnijden, maakt Braakland tot een uitverkoren creatiepartner van 't ARSENAAL. Sinds Michael De Cock aan het roer staat van 't ARSENAAL, het voormalige Mechels Miniatuur Teater, vaart dit gezelschap een geëngageerde artistieke koers waarbij de aandacht voor het authentieke, gesproken woord een prioriteit is. Voor Hitler is dood vonden beiden gezelschappen elkaar in hun verlangen een beklijvende brok geschiedenis tot sterk theater te maken. Geen evidentie aangezien iedereen de afloop kent. Het verhaal zou dus moeten boeien door de manier waarop men het vertelde. Een kolfje naar hun hand, zo blijkt. De voorstelling intrigeert doordat de makers erin geslaagd zijn om historische grondigheid met theatrale inventiviteit te combineren. Regisseur en auteur Stijn Devillé (artistiek leider van Braakland) transformeert zo een van de gruwelijkste perioden uit de Westerse geschiedenis tot één van de indrukwekkendste muziektheatervoorstellingen van het afgelopen seizoen.
Moordmachines van vlees en bloed Het sleutelwoord tot dit theatersucces bleek te zijn om de hoofdpersonages uit het Proces van Neurenberg - Hermann Goering, Joachim von Ribbentrop, Albert Speer, Franz Von Papen, Hajlmar Schacht, Julius Streicher - werkelijk tot benaderbare, herkenbare mensen van vlees en bloed te maken. Devillé slaagt hier mede in dankzij de uitmuntende spelerscast. De historische hoofdfiguren worden subliem vertolkt door enkele monumenten binnen de Vlaamse acteurswereld. Zo schittert Rik Van Uffelen als een indrukwekkende Hermann Goering, leeft Dirk Buyse zich uit als de vicekanselier Franz Von Papen en neemt Warre Borgmans gezwind een dubbelrol voor zijn rekening als Minister van Economische Zaken Hjalmar Schacht en als pulpuitgever Julius Streicher. Jos Geens (als Minister van Buitenlandse Zaken Joachim von Ribbentropp) en een subtiel spelende Kris Cuppens als Minister van Bewapening Albert Speer zetten eveneens knappe vertolkingen neer. Ook Pieter Genard staat sterk op de scène als de aanklager Rodderik "Dodd" West. En Sara Vertongen vertolkt een niet te onderschatten 'bijrol' als de Franse journaliste Edith Berger. Uiteraard hangt er liefde in de lucht tussen die twee. Maar de manier waarop die amoureuze chemie tussen beide geënsceneerd wordt, heeft net een extra verdiepende dimensie aan de hele rechtszaak.
Scenografische finesse Die dramaturgische nauwgezetheid vindt ook een vertaling in de indrukwekkende houtconstructie van Stef Depover. Depovers decor refereert aan een rechtszaal. Achteraan, als rechters op tronen, zitten de muzikanten Rudy Trouvé, Geert Waegeman en Gerrit Valckenaers. Van daaruit creëren ze een subtiel stuwende soundscape. Tijdens het componeren van deze soundscape lieten de muzikanten zich inspireren door historische films, boeken en geluidsfragmenten uit deze periode. Daaruit puurden ze een muziek die zich als een minimalistische maar intens empathische cadans omheen de lijven en de woorden van de acteurs wentelt. Samen met de fysieke (houten) scenografie vormt de muziek de perfecte discrete maar stimulerende ruimte waarbinnen de acteurs hun indrukwekkende spelprestaties kunnen neerzetten. Hitler is dood is majestueus muziektheater dat een vlijmscherp portret van machtsmisbruik schetst. Els Van Steenberghe Hitler is dood , een productie van Braakland/ZheBilding en 't ARSENAAL. Gezien op 5 mei 2009. Info en reservaties: www.braakland.be (016/226.345) of www.tarsenaal.be (015/42 25 44) Hitler is dood*** Zone 03 - Evelyne Coussens Vaak doet theater ons via het kleine kijken naar het grote: de lotgevallen van individuele personages leiden tot algemene bespiegelingen over de mens en haar condition humaine. ’t Arsenaal en Braakland/Zhebilding volgen met Hitler is dood de omgekeerde weg: een drama van enorme existentiële proporties wordt ontleed tot op het niveau van de kleine, menselijke radertjes, in een poging de mechanismen van het kwaad beter te begrijpen. Auteur-regisseur Stijn Devillé verdiepte zich in de nazi-processen van Neurenberg (1945-1946) en puurde er een rechtbankdrama uit dat zowel documentair als theatraal grote indruk maakt.
Hitler is dood – wat nu? De duivel is door eigen hand de dans ontsprongen, dus moeten andere koppen rollen. Goering. Schacht. Speer. Von Papen. Von Ribbentrop. De zwarte affiches met nazikoppen hangen als vloeken in de foyer. Dat de vijf schuldig zijn, lijkt bij voorbaat vast te staan, en toch zal tijdens aanklacht, verhoor en proces van sommigen net het absolute karakter van die schuld afbrokkelen. De rugnummers die de vijf dragen illustreren hoezeer ze individuen zijn. Er is een rangorde in schurkachtigheid, een gradatie in persoonlijke verantwoordelijkheid. Want hoe groot is hun individuele schuld, gesteld tegenover de collectieve schuld van de Duitse natie? Is niet elke dader ook slachtoffer van zijn tijd en omstandigheden? Konden deze mannen anders handelen dan ze hebben gehandeld? En wat met de misdaden van de geallieerden tegen Duitse burgers? De trotse, ijdele Goering, briljant vertolkt door Rik Van Uffelen, laat niet na die bal voortdurend terug te kaatsen – of is het burgerleed van het platgebombardeerde Neurenberg slechts ‘collateral damage’? Het is niet de enige vraag die pijnlijk actueel in de oren klinkt. Wat geeft een natie eigenlijk het recht zich te moeien met een andere natie? De speelse muzikale verwijzing naar het Walkurenthema uit Apocalypse Now brengt herinneringen boven aan een nefast staaltje bemoeizucht. Maar de jonge, idealistische aanklager West (Pieter Genard) heeft zijn antwoord klaar: ‘Als massamoord ons niet meer zou aangaan, kunnen we meteen de maatschappij afschaffen.’ Met de holocaust komt de kat op de koord. Iedereen is het erover eens dat een moord op deze schaal de interventie van een andere natie rechtvaardigt. Bitter is dan ook de vaststelling dat de internationale ‘morele’ waakhond vandaag enkel blaft als er economische belangen op het spel staan, eerder dan humanitaire – vraag dat maar aan de Rwandezen.
Hitler is dood is sober geënsceneerd, waardoor de nadruk op de tekst komt te liggen, die niet enkel inhoudelijk maar ook ritmisch prachtig ineensteekt, met een wisselende zegging en een aanzienlijke versnelling in ritme naar het einde. Muzikanten Rudy Trouvé, Geert Waegeman en Gerrit Valckenaers zorgen, hoog gezeten op hun houten constructie, voor een minimalistische maar sfeerbepalende soundtrack.
Uiteindelijk levert de kleinmenselijke aanpak niets op. De intieme kennismaking met deze menselijke duivels levert geen bevredigend antwoord op naar het ‘waarom’ van de gruwel. Hun individuele verhalen leiden, paradoxaal genoeg, toch terug naar de grote, existentiële vragen waarvan we vertrokken zijn. Misschien kan over dergelijke gebeurtenissen alleen in abstracte, filosofische termen gesproken worden, en is het concrete gewoonweg te ongeloofwaardig. Het grote ‘begrijpen’ waar aanklager West én het publiek naar snakken, blijft uit. Zware, maar noodzakelijke koek.
DE COMPLEXITEIT VAN DE (OORLOGS)REALITEIT theatermaggezien, 17.05.09, Ines Minten
Hitler is dood. Goebbels en Himmler idem. Een aantal van de andere nazi-monsters zijn gevat en zullen van de geallieerden een eerlijk proces krijgen in Neurenberg. Niemand gelooft nog dat de werkelijkheid zo eenvoudig kan zijn. Zeker niet vlak na een oorlog. Braakland/ZheBilding, in coproductie met 't ARSENAAL, brengt de Neurenbergprocessen in al hun complexiteit op de scène.
Tweeëntwintig beklaagden moesten eind 1945 voor de internationale rechtbank in Neurenberg verschijnen. HITLER IS DOOD voert er daarvan zes op. Ze tonen zich als mensen met prettige en onaangename karaktertrekken en proberen zich elk op hun eigen manier naar hun zeer waarschijnlijke doodvonnis toe te werken. Voor de geallieerde entourage zou het makkelijker zijn als het zwart-witmonsters zonder meer waren geweest. De nuance is moeilijker om mee om te gaan. Zeker als de eigen partij hier en daar even zwaar in de fout is gegaan als de vijand. Strategisch bombarderen van steden, cruciale informatie opzettelijk achterhouden voor een zogenaamde medestander, foltering... In een oorlog vervallen blijkbaar alle regels van de menselijkheid, zowel in het ene als in het andere kamp. En wat met de ongelijke behandeling van burgers? Is Amerika daar zo onschuldig aan? 'Mogen de negers bevel geven over blanke troepen? Naast u zitten in de bus?' 'Nee, dat niet.'
Het doel van het hele gebeuren is een eerlijk proces voor de nazikopstukken. Maar hoe realistisch is zoiets onder de gegeven omstandigheden? Auteur-regisseur Stijn Devillé richt de blikken als camera's op zijn personages. De acties en reacties van de beklaagden, de procureur en de rechter, een journaliste en een joodse dokter worden zorgvuldig geregistreerd. Geen standpunt wordt overgeslagen. Treffend is de scène waarin psychiater Rebecca Goldensohn een koekje deelt met topnazi en onverbeterlijke gentleman Hermann Goering, 'de laatste Renaissancemens', zoals hij zichzelf noemt. Je ziet de twijfel op haar gezicht. Hoe kan ze ook maar een greintje sympathie opbrengen voor een man die zulke gruweldaden op zijn geweten heeft? De feiten zijn er, maar je ertoe verhouden is minder evident dan het lijkt. Op een dag raakt journaliste Edith Berger in de cel bij Speer, Minister van Bewapening en architect van het Derde Rijk. Ze is ervan overtuigd dat als ze rechtstreeks met hem kan spreken, ze de antwoorden op al haar vragen zal krijgen. En die zullen véél verder gaan dan het geambieerde interview. Ook zij vindt niet wat ze zoekt. Het akeligste aan deze voorstelling is de idee dat de beklaagden effectief mensen zijn, die op een bepaald moment in hun leven een keuze hebben gemaakt met desastreuze gevolgen. Geen verklaringen, geen oorzaken of redenen. Zelfs een ongelukkige jeugd wordt nergens als verzachtende omstandigheid ingeroepen. De meest sympathieke of rationele persoonlijkheid kan een zwarte kant ontwikkelen. Het kan elke dag opnieuw gebeuren, waar dan ook. Bouw op die wetenschap maar eens een nieuwe moraal die de toekomst veilig moet stellen.
De gesprekken en verhoren breien stukje bij beetje aan een uitgebreid patchwork waar de toeschouwer in kruipt als in een vuistdikke, degelijke en bij momenten razend spannende roman. De voorstelling culmineert in een confrontatie met de werkelijkheid van de oorlogsmisdaden waartoe elk personage zich wel moét verhouden, wat zijn houding in het proces tot dan ook was. In de voorstelling wordt dat moment subtiel maar treffend uitgebeeld.
De strakke regie van Devillé zorgt ervoor dat de lange voorstelling geen ogenblik sleept. De acteurs bewegen zich krachtig en eigen binnen de lijnen die hij hen voorschrijft. HITLER IS DOOD heeft dan ook een uitmuntende cast bij elkaar gekregen, waarin Rik Van Uffelen misschien nog het meest opvalt. Hij zet een bijzonder sterke Goering neer: gevaarlijk, manipulatief en innemend tegelijk.
De driekoppige Braakland-band Rudy Trouvé, Geert Waegeman en Gerrit Valckenaers zorgt voor de soundtrack bij het stuk. Ook zij nemen minder positie in dan we van hen gewend zijn en zetten de complexiteit van de materie op die manier nog extra in de verf.
Met HITLER IS DOOD bereiken Stijn Devillé en zijn muziektheatergezelschap een nieuw hoogtepunt in hun oeuvre.
HITLER IS SPRINGLEVEND (Liv Laveyne in De Morgen) Muziektheater: ’t Arsenaal en Braakland/Zhebilding leveren straf docudrama met ‘Hitler is dood’ (****) Hoever draagt de verantwoordelijkheid van het individu? Wat is zijn aandeel in het Kwaad? Regisseur en schrijver Stijn Devillé van muziektheater Braakland/Zhebilding is er al vele jaren door gefascineerd. Eerder toonde Devillés fascinatie zich ook al in voorstellingen als ‘Dissection d’un homme armé’ (over de moord op de para’s in Rwanda, de aanslag op Lahaut en een broedermoord tijdens de Eerste Wereldoorlog) of ‘Immaculata’ (over een schietpartij in een school). Wanneer ben je verantwoordelijk? Als er daadwerkelijk bloed aan je handen kleeft en modder aan je laarzen? Als je de opdracht geeft? Als je vanop de zijlijn stilzwijgend toekijkt? Als je de andere kant op kijkt? Wir haben es nicht gewusst. Neurenberg Dat Devillé ooit zou uitkomen bij de processen van Neurenberg is dan ook geen toeval. Voor ‘Hitler is dood’, een coproductie met het Mechelse ’t Arsenaal, grasduinde hij in de vele documenten over deze strafprocessen die na Wereldoorlog II in de Duitse stad Neurenberg werden gehouden. Hij destilleerde daaruit een tekst waarin hij focust op enkele nazi-kopstukken en stromannen en hun aandeel in de gruwel. Voetballers in kostuum met een rugnummer opgenaaid, zo zien er eruit. Pionnen in een spel maar van teamplay is nog weinig sprake. Iedereen is erop beducht zijn eigen hachje/ego te redden. Met rugnummer 1: Hitlers rechterhand Göring (briljant vertolkt door Rik Van Uffelen): bedachtzaam, ijdel ook, blij dat hij de grote man is nu Hitler van het toneel verdwenen is. Daarnaast: de creatieve maar alle kanten op slaande geest van architect Speer (Kris Cuppens), de dolgedraaide ex-minister van buitenlandse zaken von Ribbentrop (Jos Geens), de ‘ik was mijn handne in onsschuld’ zakenman Schacht (Warre Borgmans) of de ‘omwille van het vaderland’ voormalig kanselier von Papen (Dirk Buyse). De eerste helft van de voorstelling bestaat uit monologen en laat het publiek kennismaken met deze figuren tijdens hun verhoor door de aanklagers Jackson (Maarten Ketels) en West (Pieter Genard). In deel twee volgt het eigenlijke proces en de tussentijdse meer emotioneel getinte gesprekken met derden die ‘het’ willen begrijpen. “Jodendeportaties? Mogen de negers al bij jullie op dezelfde bank in de bus zitten?” vraagt Göring, knibbelend op een cookie, aan zijn Amerikaanse dokter (Janne Desmet). Sober tijdsdocument van alle tijden Hitler mag dan wel dood zijn, Devillé laat niet na om in zijn tekst ook te verwijzen naar de verantwoordelijkheid van de geallieerden en tussen de regels door ook naar de situatie vandaag. Bestaat dat wel een eerlijk oorlogstribunaal of is het louter een verhaal met per definitie de overwonnene als de beschuldigde en de overwinnaar de aanklager? Is het verloop van de geschiedenis, en de bijhorende schuld en boete, niet altijd een dubbeltje op zijn kant? ‘Hitler is dood’ laat deze vragen opwellen zonder te overdramatiseren. Met een sobere enscenering, bestaande uit een houten staketsel van waarop muzikanten Rudy Trouvé, Geert Waegeman en Gerrit Valckenaers een soundscore leggen over deze bijna documenataire-achtige voorstelling. De acteurscast, een mix van jong en oud, vult elkaar sluitend aan. Alsook de combinatie van klassiek verteltheater met broeierige concert zoals de heftige bijna rapbattle tussen Speer en Göring. Wordt een oorlog eigenlijk ooit door iemand gewonnen? De muziek verliest zich bij gebrek aan een eenduidig antwoord in distortion. Hitler is dood, maar de menselijke (ont)aard(ing) blijft springlevend. In vele gezichten. Of het nu is uit idealisme, ijdelheid, machtwellust, lafhartigheid, geldgewin of simpelweg blind geloof. Onder die Wissenschaft komen we niet uit. WAREN DE NAZI'S WEL ZO KWAAD? (Wouter Hillaert in De Standaard) Hitler is dood. Dat is geen nieuws, wel de titel van een voorstelling over de Neurenberg-processen.
We hebben het afgeleerd om over het kwaad te redeneren als iets groots, iets abstracts. Dat stelt de filosoof Ger Groot in het jongste nummer van het online theatermagazine Lu-cifer, over slechteriken. In plaats van het kwaad op zich te durven overdenken, wordt het herleid tot begrijpelijke perspectieven van individuele personages, waarvan theatermakers dan tonen dat ze de kwaadste nog niet zijn. Dat is precies wat er lijkt te gebeuren in Hitler is dood, een productie van Braakland/ZheBilding en 't Arsenaal. Van de twaalf personages zijn er zes beklaagden, onder wie Hermann Goering (Rik Van Uffelen). Die speelt, zoals in het echte proces van eind 1945 tot eind 1946, de trotse oppernazi. Deauteur-regisseur Stijn Devillé laat hem frequent verwijzen naar vergelijkbare praktijken in de geallieerde staten. Op die momenten lijkt de schuld van de nazi's alleen te zijn dat ze de oorlog verloren. Ook van Hitlers andere secondanten, zoals de bankier Schacht (Warre Borgmans), wordt in verhoren, onderlinge celgesprekken en de rechtszaak een genuanceerd, ja zelfs respectvol portret getekend. Het zijn mensen: ze zijn bang of twijfelen, komen allesbehalve overeen en doen zich voor als strijders voor hun vaderland. En de jodenvervolging dan? Een gevoelig punt. De aanklagers West (Pieter Genard) en Jackson (Maarten Ketels) drijven het steeds daarheen, de nazi's wringen er zich telkens tussenuit. De waarheid blijft in het midden. Dat is meteen wat Devillé kan inbrengen tegen Groots stelling dat 'toneelmakers het kwaad alleen nog tonen, en het niet meer denken'. Hitler is dood kruist niet alleen diverse blikken op de nazi-schuld en de soms bedenkelijke agenda van de geallieerden. De voorstelling trekt ook steeds de geloofwaardigheid van al die blikken in twijfel. Zeker, dit is relativerend theater, dat zoals veel toneel vandaag morele uitspraken over 'het kwaad' mijdt. Maar in een tijd die er als de kippen bij is om het profiel te maken van een slechte chauffeur op Koninginnedag, lijkt een correctie als Hitler is dood toch niet onterecht. Anders dan in de recente golf van Hitlerfilms maken Braakland en 't Arsenaal hun keuzes openlijk betwijfelbaar, zonder hun documentaire opzet op te geven. Je komt veel te weten. Zo is de gebruikelijke sfeerschepping van Braakland ingewisseld voor meer inhoudelijke dialogen. De livemuziek van Geert Waegeman, Gerrit Valckenaers en Rudy Trouvé is wel alomtegenwoordig, van psychedelische elektronica tot filmische marsritmes, alleen werkt ze nu objectiever dan anders. Hitler is dood wil veeleer meedelen dan emotioneren. Het aanzuigende slot, in de aanloop naar het finale verdict, doet dat allebei. Boeiend. HITLER IS DOOD / KURT VAN EEGHEM IN GESPREK MET RECENSENT JOHAN THIELEMANS (Ramblas / Klara) JT - Stijn Devillé is heel druk bezig met de Tweede Wereldoorlog, en die heeft dat geschreven, op basis van documenten, want heel de verslagen en de ondervragingen zijn allemaal in boekvorm te krijgen. Dus je hebt een massa informatie, over allerlei grote en kleine vissen en hij heeft daaruit een stuk gedistilleerd.
Ze zijn met dat materiaal aan de slag gegaan. En ze willen portretten maken van een aantal zeer belangrijke mensen. En daar slagen ze in door natuurlijk de juiste citaten te kiezen en die mooi in combinatie te zetten. En ik moet zeggen, het is een goede introductie tot dat proces, dat je dat daar krijgt. Da’s dus een prestatie om dat zo mooi te schrijven. Nu moet ik zeggen als ik naar de teksten zelf kijk, en vooral naar de intenties, dat ik daar niet teveel aandacht aan wil besteden, want de ondervragers heeft Stijn Devillé gemaakt met jonge mensen, en dan zegt ie ‘ja, dat zijn eigenlijk jonge mensen van vandaag, die terugkijken’, dat komt er eigenlijk niet goed uit. Zolang als hij bij de documenten blijft, is het heel precies en heel juist. En die intenties ja, die zijn werkelijk zeer interessant, maar worden niet waargemaakt. Maar dat belet niet dat je een goeie voorstelling ziet, versta je.
Een goeie voorstelling, omdat hij zich concentreert op een dramatische spanning, die hij hoofdzakelijk haalt uit het feit dat deze mensen iets gaan meemaken, namelijk ze staan voor de doodstraf, ze zullen opgehangen worden en kunnen ze zich eruitpraten of niet?
KVE - Het is dus een soort documentair theater, waar men dus een zicht krijgt, als ik het zo begrepen heb, op een toch wel heel belangrijke periode uit de geschiedenis, of toch wel een belangrijk evenement uit de geschiedenis. U zegt, het is een mooie voorstelling. Hoe doet men dat dan?
JT – Wel er zijn twee delen. Het eerste deel, dat zijn allemaal monologen, moet je zeggen, dus het is verteltheater. De een na de andere komt, wordt ondervraagd en vertelt zijn verhaal. In het tweede deel begint het proces en heb je de confrontatie en dan is het veel dramatischer en veel spannender. Wat het puur theater maakt, natuurlijk. Je hebt dus twee luiken die een beetje anders zijn, maar iedereen die meedoet, en het is natuurlijk een mooi tableau – dat is wel mooi aan Stijn Devillé, hij heeft echt heel goeie acteurs bij mekaar gekregen: hij heeft Warre Borgmans, die excelleert in twee rollen, maar er is ook Rik Van Uffelen als Goering, je hebt Kris Cuppens als Speer, Dirk Buyse, Jos Geens... En ze zijn zeer goed geleid. Dat wordt allemaal heel goed en strak in de hand gehouden. Goed gespeeld, goed gezegd. Zonder pathos, zonder overdrijving.
Het is een lange voorstelling, maar je zit er niet op te kijken van och mensen, dat duurt hier te lang, neen er is ook zoveel stof en ook zoveel mensen die... En toch is het heel goed opgebouwd. HITLER IS DOOD VLOERT CLICHES (Valerie Druart op CJP.be)
Aanklagers en beklaagden frontaal tegenover elkaar geplaatst in het proces van de eeuw: hoe giet je dat in een toneelstuk? Stijn Devillé rook potentieel en ging ervoor. Hij toont de over- en onderbelichte kanten van het nazisme, zijn perverse capriolen en de gevolgen.
Hoe reageren mensen als alles letterlijk en figuurlijk aan diggelen ligt? Aan wie of wat klampen ze zich dan vast? Het proces van Neurenberg dat in 1945 een twintigtal nazikopstukken berechtte is niet alleen een vette kluif voor gedragspsychologen en historici, ook theatermakers weten er blijkbaar weg mee.
Omdat de grootste nazibonzen zich lafhartig van het leven beroofden, zijn de spotlights in het tribunaal voornamelijk gericht op Goering, Von Ribbentrop, Streicher, Von Papen, Schacht en Speer. Ook niet bepaald kleine garnalen, al willen ze dat graag doen geloven tijdens het proces. Blinde vaderlandsliefde, postuum ontzag voor de führer, vermeende onwetendheid, ontkenning, het passeert allemaal de revue tijdens de eerste ondervragingsrondes. De jonge procureur-generaal en de aanklager voeren deze mentale oorlog op het scherp van de snee. Niet gemakkelijk, als een internationaal gerechtelijk kader ontbreekt en als eigenlijk iedereen schuldig is... Want wie wist niet van de jodenvervolging? Iedereen, toch?
Geladen gelaagdheid Het tribunaal levert geen bekentenissen op, maar wel interessante discussies over moraal, schuld,... Want wat is moraal als je land in oorlog is? Welke moraal moet dan gevolgd worden? Wie moet verantwoordelijkheid nemen en voor wat? De gelaagdheid van deze problematiek wordt niet geschuwd. De beklaagden kaatsen de bal hard terug naar aanklagers en gerechtspsychiaters. “Waar waren jullie toen Duitsland in het slop zat?” “Is het waar dat bij u in Amerika negers moeten opstaan voor blanken?”
Een belangrijke component van de voorstelling is muziek. Als Rudy Trouvé en compagnie (Braakland/Zhebilding) ziek vallen, zou de toneelpudding vervaarlijk trillen. De muziek is niet alleen versterkend en ondersteunend, de muziek stroomlijnt de voorstelling. Dit gaf regisseur en acteurs de mogelijkheid om oneindig te switchen tussen verschillende stijlregisters en emoties zonder het publiek te bruuskeren. Speciaal voor deze voorstelling gingen de muzikanten aan de slag met Duitse barokmuziek, de nodige synthesizers, een Duits klokkenspel, hun gekende fluitjes, ... Het resultaat was echt subliem. Lang geleden dat we muzikaal nog zo verwend werden tijdens een avondje theater!
De absolute sterkte van dit stuk schuilt ook in de geladen gelaagdheid die superhelder en met heel veel dynamiek gebracht wordt. Rik Van Uffelen brengt Hermann W. Goering met brio tot leven op de planken. De andere beklaagden doen niet onder. Het is alleen een beetje jammer dat de aanklager (Pieter Genard) en procureur-generaal (Maarten Ketels) wat verbleken naast oude rotten Streicher (Warre Borgmans), Speer (Kris Cuppens) en Von Papen (Dirk Buyse).
Dit is een sterke voorstelling die je blik verruimt, tot nadenken stemt en oeverloos tot napraten stimuleert.
Content in Contertainment. (Tuur Devens - Theatermaggezien) Lekker doen wat eigenlijk niet in grote kunsten mag: Smartlappen en schlagers zingen, pronken met pure kitsch, glitter en glamour, onnozele naïeve stemmetjes opzetten, enzovoorts. Het is entertainment op maat van wat het volk wil, vol glittershow, met reisjes naar de zon, naar het strand. Grootse evenementen in beeld en klank, met opwekkende reclame, citaten en prenten uit de boekskes, en nog zoveel meer komt voor in de productie die Pat Van Hemelrijck (beeldenmaker van objecten- en materiaaltheater Alibicollectief) en Geert Waegeman (multi-instrumentalist van muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding) hebben opgezet. Lekker fout amusement, en daardoor zo amusant.
We stappen in de buik van het binnenschip Eliane aan de Brusselse Akenkaai. Dat zorgt al voor een gezellig onder-ons-sfeertje. De productie kan natuurlijk ook op andere plekken staan, maar het moet voor een klein publiek zijn, zodat je met je neus er boven op zit. Want alles speelt zich in miniatuur af. Speelgoedbeestjes, speelgoedautootjes, al dan niet uitvergroot en in close-up op het scherm via vingercamera of computertechniek. Zonder hightech te worden: het blijft manueel knutselwerk. En je bent blij dat er nog van die ambachtelijke dingen bestaan. Dit is zeker zo goed als – zo niet beter dan- al die gesofisticeerde theatermachines en trukendozen. Hier heb je nog de truken van de foor. We gaan met de chauffeur en de begeleider op reis! We worden visueel in een minicontainer gestopt, en op onze uitstap, op ons ‘second-hand-event’ zullen we van alles zien en beleven. Dat varieert van buikdansende sinaasappels, zwempopjes, opwindvogeltjes, tot een stoere macho-motoragent op een dromedaris, tot aapjes die met de bekkens slaan. Een poppetje van een presentatrice beweegt mond en hoofd, zingt, trekt een grote scheur open.
Constant wordt er gezapt van live-spel overvideobeelden naar een spel met speelgoedjes. De beide heren hebben er lol in, dramaturgisch klopt het niet allemaal, maar de gekte en het spelplezier vormen de hoofdbrok. Met de hele evenementenindustrie en reality-shows op de buis wordt door de uitvergrotingen de draak gestoken. Niet kwetsend maar in zijn groteskheid mild en raak. Voor het publiek was het weer een uurtje absurd genieten. 'ROADMOVIE' VAN BRAAKLAND/ZHEBILDING /"CURSUS VERDWIJNEN VOOR GEVORDERDEN"
Twee goede redenen om naar Roadmovie van het Leuvense muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding te gaan. 1. De voorstelling is een lust voor het oor. En 2. Je ziet er acteur Kris Cuppens op zijn best: in een monoloog die hem op het lijf geschreven lijkt.
Kris Cuppens speelt een veertiger. Een typische afwezige vader, die leeft in hotelkamers en vliegtuigen, een zakenman. Om het volwassen leven heeft hij nooit gevraagd, hij heeft het zo gekregen. Ook zijn huwelijk en zijn dochter 'overkomen' hem. Hij legt het na de feiten allemaal uit aan zijn dochter Sarah: "Je moeder was ik het eerst vergeten. Jij was de volgende in de rij." Op een bepaald moment keren de rollen echter om. Zoals hij vroeger zijn dochter negeerde, zo negeert zij plotseling haar vader. Ze is zestien en op haar beurt goed bezig volwassen te worden. Haar vader probeert de klok terug te draaien, wil haar leren kennen en begint haar gangen na te gaan. Wat hij ontdekt, is niet allemaal even fraai. Ook de belangrijkste conclusie trekt hij met gemengde gevoelens: vader en dochter lijken op elkaar.
Sarah (vertolkt door Jessa Wildemeersch) introduceert zichzelf via de schermen die een groot deel van de scène innemen. Haar tekst is een vrije vertaling van How to Disappear in America without a Trace, een webpagina die handige suggesties geeft aan mensen die willen verdwijnen. Precies daarmee is ook Sarah immers bezig. Pas tegen het eind van het stuk kom je erachter waarom ze dat nodig vindt. "PLAN je vlucht zoveel mogelijk van tevoren. Haal je bankrekening leeg. VERNIETIG je creditcards. Laat al je aardse bezittingen verdwijnen, behalve je cash. VERBRAND je foto's zodat ze niet gebruikt kunnen worden op uithangborden in tankstations en wegrestaurants. Draag kleren die je normaal gezien nooit zou dragen. SNIJD je oude kledij in reepjes en trek ze door in het toilet. VERANDER al je gedragingen. Rook je? Stop met roken! Rook je niet? Begin ermee!"
De beelden op de schermen (veiligheidsbeelden, mensen op weg, Sarah onderweg...) en de muziek van Rudy Trouvé en Gerrit Valckenaers brengen de noodzakelijke vaart in deze roadmovie. De beelden zijn een fijne illustratie voor het stuk en dragen absoluut bij tot de sfeer, hoewel niet van elk fragment duidelijk wordt waarom het er per se in moest zitten. De muziek doet daarentegen wel volledig zijn werk en bevestigt nogmaals waarom Braakland zich met recht en reden een muziektheatergezelschap noemt.
Roadmovie is een voorstelling over de knepen van het verdwijnen – iets wat in onze beeldmaatschappij geen koud kunstje is, dat tonen de videofragmenten ons dan wel weer aan. Maar ook over een vader en een dochter die elkaar meer nodig blijken te hebben dat ze ooit hadden gedacht. Een monoloog van Adriaan Van Aken waarin Kris Cuppens het niveau van zijn eigen onovertroffen Lied opnieuw op zijn kousenvoeten haalt.
"Dochter?" "Ja, vader?" "Heb ik je al verteld dat het leven kut is?" (Inès Minten in 'Theatermaggezien') Indringend, uitzinnig, vertederend. Roadmovie is Braakland/ZheBilding (BZB) op z’n best.
Zoals travestieten zich verhouden tot echte vrouwen, zo is een musical het antoniem van muziektheater. Muziektheater zoals BZB het al jaren brengt, verbluft telkens opnieuw door het publiek te beklijven, aan te spreken. De acteurs en muzikanten van BZB kijken je in de ogen, en voor en na een voorstelling kan je steeds de regisseur, de dramaturg, de producent en de lichtman tegen het lijf lopen. Iedereen die meewerkt aan het kleine Leuvense muziektheatergezelschap gooit zijn hele lijf en leden in de strijd en dat straalt onvermijdelijk af op het eindresultaat. Met Roadmovie toont BZB opnieuw ongemaskeerd waartoe het in staat is. De fel overroepen uitstap naar de vage poëtische musical die Spoon River de vorige productie was, is bij deze volledig vergeten.
Kut Drie spelers brengen Roadmovie op de planken: de muzikanten Rudy Trouvé en Gerrit Valckenaers en acteur Kris Cuppens, die anderhalf jaar geleden nog de Toneelschrijfprijs won met zijn eerste monoloog bij BZB, het weergaloze Lied. Ditmaal zorgde Adriaan Van Aken voor tekst en regie, maar voor Kris Cuppens is dat hoegenaamd geen reden om zich minder bloot te geven. In Roadmovie spreekt hij als een introverte veertiger die zich alles laat welgevallen — tot zijn scheiding toe — en pas tot leven komt wanneer zijn zestienjarige dochter zelf het leven ontdekt, en in het bijzonder wat er mis mee kan gaan. “Het leven is kut,” zegt Cuppens dan ook, “maar dat heb je zelf al wel ontdekt.” Wanneer de man begint te beseffen dat het niet goed gaat met zijn dochter, probeert hij meer te weten te komen over haar. Wat denkt ze, wat doet ze, waarom? Hij schaduwt haar, volgt haar naar gure bars en blinkende winkels die ze vakkundig berooft. Hij bekijkt zijn dochter van ver en duwt haar mee in de afgrond. Maar hij leeft: eindelijk leeft hij voor iemand, iemand die hem misschien ooit begrijpt. De dochter vlucht weg, het land uit, en de man volgt haar in een wanhopige of euforische poging haar terug te vinden. Vader en dochter zijn steeds op de vlucht, maar wijzen alsmaar duidelijker naar elkaar. Iemand kennen, iemand echt leren kennen, daar draait het om. En op die manier jezelf ontdekken.
Fabriek Kris Cuppens vertelt met de tragiek van een Steve Buscemi, sober en slechts getooid met rimpels, een jeans en een leren jekker schildert hij een mensenleven. Trouvé en Valckenaers, die met hun apparatuur zowat het hele podium in beslag nemen, spelen ontspannen hun muziek: hard, met een dreunende beat, maar eerlijk. Zowel multi-instrumentalist Valckenaers als gitarist-zanger Rudy Trouvé (die ooit nog bij dEUS begon) geven Cuppens de ademruimte om te kunnen blijven spelen. Wie Roadmovie wil bekijken, doet dat bij voorkeur in BZB’s thuisbasis: de Molens Van Orshoven, een oude fabriek in het hartje van de industriële zone aan de Vaart. De functie van het gebouw valt moeilijk te onderschatten bij dit muziektheater. Het zaaltje waarin gespeeld wordt, is niet meer dan een groot uitgevallen kamer maar biedt de perfecte ruimte om een sterke band te smeden tussen spelers en publiek. Laat je gerust gaan in deze Roadmovie.
(Simon Horsten in Veto). Vlucht van de onzichtbare vader Hoe verdwijnen in het niets? Braakland/Zhebilding geeft een snelcursus met 'Roadmovie'. Roadmovie is een voorstelling zoals de jongens van Braakland/Zhebilding (B/ZB) er wel vaker één maken: kleinschalig muziektheater dat doorgaans het oor en zelden het oog verwent, opgehangen aan een nieuwe tekst, gespeeld met ironieloze overgave. Dat laatste merk je meestal aan de keuze van de acteurs. Chris Lomme, Sara Vertongen, Dirk Buyse - mensen die zich volledig geven en er onderweg al eens 'over' gaan.
De tekst is dit keer geschreven door Adriaan Van Aken, aangevuld met een vertaling van Vanishing point: How to disappear in America without a trace, een hoogst intrigerend stukje proza over wat je moet doen als je op de vlucht bent.
De dochter van de verteller in Roadmovie heeft een goede reden om te vluchten, maar dat komen we pas op het einde te weten. De monoloog handelt vooral over haar vader, die jaren geleden al ingehaald is door het leven.
Kris Cuppens is alweer uitstekend als de chronisch depressieve zakenman die zijn leven ondergaat. Hij heeft de indruk onzichtbaar te zijn. In het vliegtuig ziet hij hoe een knappe blonde jongen als vanzelf de blik van de stewardess naar zich toe zuigt. Hijzelf zit te wuiven als een gek, maar trekt daarmee enkel de aandacht van... de knappe jongen.
Veel speelruimte heeft Cuppens niet. Het B/ZB-zaaltje in de Molens van Orshoven is klein: met twee muzikanten en wat instrumenten is de speelvloer aardig vol. Geen visuele flair dus. Je sluit dan ook best de ogen bij dit stuk, om te worden opgenomen in de composities van Gerrit Valckenaers en Rudy Trouvé. Die trekken zich meestal op gang met een vette beat en doen sterk denken aan de grillige albums Trap en Berchem van Dead Man Ray, waarvoor Trouvé samenwerkte met Daan.
In Roadmovie worden de aangezette melodieën vrij lang aangehouden, wat het ritme van een roadmovie suggereert, maar ook wel een beetje doezelig maakt. Voor de broodnodige afwisseling heeft B/ZB ook enkele filmpjes gemaakt. We zien roltrappen, ruimtes waar naamloze mensen doorheen stappen. Een wereld van veraf gezien, terwijl de monoloog ons juist dicht bij het hoofdpersonage trekt.
B/ZB zal met Roadmovie geen nieuw publiek overtuigen; het is eerder iets voor wie de eigen B/ZB-stijl al genegen was. Los daarvan is deze voorstelling een mooi, 'af' product, over het verlangen om alles achter te laten en de wereld te ontvluchten. 'To be or to be gone': van een universele thematiek gesproken. (Mark Cloostermans in De Standaard, 23/02/08) De doden hebben makkelijk praten In 'Spoon river' maakt Braakland/Zhebilding een luchthartige dodendans uit vervlogen tijden.
De personages uit Spoon river verkeren in een staat van genade. Ze hebben de grens tussen leven en dood overgestoken. Bevrijd van alle aardse verzuchtingen hebben ze het rijk voor zich. Angst voor de dood? Laat me niet lachen, dat hebben zij al lang achter zich.
Totaal onthecht blikken ze nog eens terug naar dat leven van hen. 'Ik was Nancy Knapp', zeggen ze over zichzelf in de verleden tijd, alsof ze tegenwoordig wel wat beters te doen hebben. Waarop ze haast monkelend, als was het een goeie mop, vertellen ze hoe ze aan hun einde kwamen. De één vloog met zijn auto uit de bocht. Jammer, hij was net goed op dreef. Een ander ziet opnieuw de giftige slang, hoe ze haar valse kop hief en de dodelijke beet toebracht.
Als was er een skelettenreünie aan de gang, zo worden de verhalen over de aardse tijden nog eens opgehaald. Er komen liederen en instrumenten aan te pas, de bijeenkomst wordt een danse macabre met een blij gestemde ondertoon.
Iedereen is zo vriendelijk geweest voor de gelegenheid zijn vlees weer rond zijn klepperende knoken te plakken. Men is hoogstens in het zwart gekleed.
De teksten komen uit de Spoon river anthology, de collectie portretten die de Amerikaanse dichter E.L. Masters in 1915 in feuilleton publiceerde. Het is een reeks onverbloemde grafschriften, geïnspireerd op figuren uit zijn dorpsjaren, honderd jaar geleden in Illinois. De schrijver Elvis Peeters heeft ze alle 244 vertaald, Braakland Zhebilding brengt er zo'n zestig op het podium.
Aanvankelijk blijft deze stoet impressionistische portretten wat in statische momenten hangen. Maar gaandeweg tekent zich een kleurrijk beeld af van een samenleving die twijfelt of ze nu ruraal zal blijven of urbaan zal worden. Onwillekeurig denk je daarbij aan het verhalendefilé uit As I lay dying van William Faulkner, of aan de puzzelstuktechniek van Under milk wood van Dylan Thomas. Zonder dat deze voorstelling echter aan het compositorische genie van de eerste, noch aan de formuleerpracht van de tweede kan tippen.
Wat Spoon river dan wel weer uniek maakt, zijn de stemmencombinaties. Alle temperamenten zijn van de partij. De acteurs kleuren ze in. De rollen van Kris Cuppens zijn al eens driestelingen, die van Chris Lomme bedaarde charme en die van Dirk Buyse suikeren raffinement. Nand Buyl straalt van op zijn scheidsrechterstrap nukkig gezag uit, alsof hij moet toezien of er geen bal in het net vliegt.
Spreken, zingen en musiceren springen hier samen in hetzelfde touw. Of portretten worden verteld, dan wel gezongen, ligt in dezelfde lijn. De warme klankkleur van een klassiek instrumentarium wordt regelmatig op sleeptouw genomen door elektrische power of de stemkracht van de twee zangeressen.
Spoon river is een rijkgeschakeerde, esthetische voorstelling. Het zou De Tijd op muziek kunnen zijn. Het stuk wekt de sympathie op die samengaat met het overschouwen van menselijk gewriemel. Hoewel de doden natuurlijk makkelijk praten hebben. (Geert Sels in De Standaard) SPOON RIVER 'Een mozaïek van sombere kleuren' “Dames en heren, van harte, van harte welkom. De doden van Spoon River heten u welkom.” Het is woensdag, acht uur ‘s avonds en we zitten in de overvolle Leuvense schouwburg. Voor ons zien we een nagenoeg leeg podium, de dorpelingen met hun verhalen uit Edgar Lee Masters Spoon River Anthology staan op het punt tot leven te worden gewekt. Als een ijskoude hand grijpt de dood naar onze keel. Met vingers, lijkbleek, knokelig en trillend reiken zij, de doden, naar de warmte van het leven. Het podium lijkt wel een denkbeeldige grens tussen de dood en het leven. Helemaal in het begin, kunnen we ons nog warmen aan de Amerikaanse countrymuziek waardoor we ons een dorpje als Spoon River kunnen voorstellen, maar verder spreken of zingen de doden enkel nog met koude lippen. Ze verhalen ons elk hoe zij aan hun einde gekomen zijn. Elke stem eist zijn eigen zeggenschap, elke stem weerklinkt, weergalmt in de oren van de toeschouwer. Te kort, want hoewel aangrijpend, lijkt hun verhaal op te lossen in dat van de andere stem. Alsof de ene de andere niet laat uitpraten. Mensen zijn blijkbaar nog steeds dezelfde als ze dood zijn. Met het enige verschil dat ze nu recht voor de raap spreken. Ze spuwen de woorden in het gezicht, fluisteren met akelige eenvoud of huilen op de klagerige muziek. Geen dode laat de andere zijn woorden koud worden, of een andere kruipt, schuifelt of valt naar voren om zijn relaas op te maken. Terwijl zij proberen de aandacht te grijpen van de volle zaal, grijpen wij naar de verhalen, naar de puzzelstukken, de miniaturen van elk klein verhaal. De eersten komen in schokken, gruwelijk, kort. Als losse flodders raken ze onze harten, die ze al gestolen hebben bij het welkom. Een grote tromslag maakt abrupt een einde aan hun korte leven. Daarna langere verhalen, treurig, melancholisch, meeslepend, meetrekkend in het tragische verhaal van Spoon River, een dorpje. Doden. Meer is er niet, geen verband. Een web van draden, maar geen enkele rode draad vertelt ons wat de personages bindt, tenzij elke draad abrupt is doorgesneden — de draden rafelen niet. Zo sterft de ene aan de beet van een geeuwende alligator — te dichtbij geweest — en sterft de ander aan een slangenbeet — het verkeerde gevonden in het struikgewas. Elke dode verweeft zijn eigen korte draad in het bolwerk van verdriet, frustratie, haat, liefde, hartstocht, verlangen, gruwel, onrecht of miskenning. Dit is geen voorstelling van de abstracte dood. Het is de dood in al haar vormen, steeds reikend met de hand naar leven. Deze voorstelling is net als de dood bijna onverstaanbaar. De stemmen klinken door elkaar, of ze nu brommen, gillen, zingen, huilen, allen zijn ze de stem van de dood in zijn vele gedaanten. De spelers vallen met de regelmaat van een klok neer, want je moet je herinneren, eigenlijk zijn ze dood. Dan doven de kaarsen. Het schijnsel van traliewerk op het podium, de klaaglijke zangen, de verwrongen gezichten zijn weer weggemoffeld in het duister. En wie het niet begrijpt, moet toch maar eens komen kijken. Al was het maar om Kris Cuppens te zien die een vrije vertaling geeft aan ‘fuck you’ met de opgestoken middelvinger die zich voor deze gelegenheid iets lager situeert. Hij trekt wel elke 33 keer zijn broek af! (Nele Bruynooghe in Veto) VANDENHOND Muziektheater voor jongeren raakt meerdere gevoelige snaren (...) Vandenhond (12+), een jeugdvoorstelling die vanuit de ogen van een hond een scherpe én gevoelige blik werpt op onze menselijke samenleving. Een grauwe banlieu met een stinkbeek: zoals een hond in stereo ruikt, zo gevoelig voor geur en gehoor zijn de zintuiglijke beschrijvingen in dit muziektheaterstuk. Begeleid door muzikanten Youri Van Uffelen en Ephraïm Cielen vertelt acteur Pieter Genardhet wedervaren van de zwervershond Ben die zich in een voorstad ontpopt tot de leider van een lokale meute honden. (...) Genard acteert subtiel, nu eens observerend, vervolgens vervaarlijk blaffend. Een welkome dubbelheid die zich ook in de muziek laat voelen. Gaat de tekst zich soms te buiten aan uitvoerige beschrijvingen, dan brengt de live-soundtrack (drum, gitaar, samples) voldoende tempowissels tussen melancholie en gejaagdheid. Vandenhond kaart ongedwongen grote tehma's aan: de allochtonenproblematiek, maar evengoed zaken die het hart aanbelangen zoals liefde en vriendschap. De voorstelling is een poëtische dierenfabel en een actuele mensenfabel. (Liv Laveyne in De Morgen) DIALOOG VAN WOORDEN EN NOTEN Over 'Trust' van Braakland/ZheBilding
Het Leuvense muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding gaat intussen al tien jaar zijn eigenzinnige weg. Ingrediënten? Een subtiel samenspel van woorden en noten, in een uitgekiende dialoog tussen muziek en theater. Producties als koortsthermometers tussen de niet altijd even rozige billen van de tijd. En microfoons – veel microfoons. Hoe maakt Braakland van muziektheater méér dan een simpel sommetje? Tien jaar geleden studeerde regisseur-auteur Stijn Devillé theaterwetenschappen in Leuven. Tussen pot en pint constateerden hij en een paar vrienden (dramaturge Els Theunis en Geert Bové, ondertussen beter bekend als Wayn Traub) dat Leuven op dat moment een vrij bedroevend cultureel braakland was. Wél een opleiding theaterwetenschappen aan de universiteit, wél een praktijkinstelling als het Lemmensinstituut. Maar geen professioneel theatergezelschap. Daar kon aan gebouwd worden, vond het trio, en zo ontstond Braakland/ZheBilding. Speciaal voor het professionele elan trok Devillé nog een paar jaar naar het Rits in Brussel. Braakland diende eerst vooral als laboratorium voor zijn producties als regiestudent, maar dan ging het ineens erg snel. Al in 2000 kreeg het gezelschap een kleine, maar fijne structurele subsidie. Pers en theaterwereld schreeuwden moord en brand, want het gezelschap zou daar veel te jong voor zijn. Braakland negeerde de kritiek en groeide vastberaden door tot het Leuvense theaterhiaat tot de laatste voeg was opgevuld.
Teksttheater bleek de eerste liefde van het gezelschap, maar algauw ontdekten de makers de meerwaarde van muziek voor hun voorstellingen. Sinds enkele jaren trekt Braakland dan ook steevast de kaart van het muziektheater, waarmee het zich een behoorlijk uniek plekje binnen het Vlaamse theaterlandschap heeft verschaft. In tegenstelling tot bijvoorbeeld LOD, waar de huismuzikanten veeleer uit de klassieke en jazzscène komen, engageren de Leuvenaars bij voorkeur muzikanten die experimenteren met pop, rock, folk en allerlei cross-overs.
Wie die unieke Braakland-cocktail ten volle wil smaken, is best bestand tegen een grote dosis monologen en microfoons. Zeker in de eigen werkplek, de Molens van Orshoven – een industriële graanmolen uit de negentiende eeuw – levert die combinatie doorgaans een statisch theaterbeeld op. Acteurs staan aan hun microfoonstandaarden gekluisterd, geflankeerd door de gietijzeren steunkolommen die het speelvlak overheersen. Toch wérkt dat gefixeerde beeld. Denk aan de monoloog Lied, waarvoor acteur-auteur Kris Cuppens in 2006 de Taalunie Toneelschrijfprijs ontving. Naast hem op de vloer één muzikant, Geert Waegeman. Cuppens liep voor een nieuwe scène al eens naar een andere plek, maar meestal stond hij zo goed als stil en werd zijn microfoon een houvast waar zijn personage zich tijdens zijn emotioneel zwaarste momenten aan leek vast te klampen. Beweging was er nauwelijks, en toch. Samen zorgden tekst en muziek dat je fantasie begon te deinen en te golven. Braakland speelt op een innerlijke beweging. Daar komt het publiek ook voor. Het gezelschap schaaft en schaaft om het tot een emotioneel hoogtepunt te brengen.
Afgelopen seizoen heeft Braakland daarin twee cruciale stappen gezet. En wel allebei in een voorstelling, Trust. Tekstueel wordt radicaal gebroken met de monologische traditie van het gezelschap: voor het eerst krijg je dialogen zonder verteller. Nog opmerkelijker is dat de voorstelling ook muzikaal uitpuurt wat er de vorige seizoenen al zat aan te komen. De muziek van Rudi Trouvé en Mauro Pawlowski neemt zo’n prominente plaats in dat ze uitgroeit tot een volwaardig extra personage.
‘Vertrouwt ge mij?’
Voor de tekst van Trust ging Braakland te rade bij het gelijknamige filmscript van de Amerikaanse cultregisseur Hal Hartley uit 1990. Maria (Jessa Wildemeersch) is een alledaags, zelfs goedkoop tienermeisje. Kauwgom maalt door haar mond, haar kledingsmaak getuigt evenmin van veel fijnzinnigheid. In de openingsscène toont ze zich zelfs ronduit arrogant als ze geld eist van haar ouders: ‘Pa, geef mij 5 dollar.’ Haar vader houdt zijn portefeuille dicht, waarop dochterlief onomwonden meedeelt dat ze zwanger is. Van de weeromstuit krijgt de man een hartaanval en sterft. Maria’s moeder gooit haar het huis uit, haar vriendje laat haar vallen. Het is op dat miserabele dieptepunt dat ze Matthew (Pieter Genard) ontmoet, een computertechnicus met enkele freaky kantjes. Hij jaagt zijn collega’s de daver op het lijf, neemt constant ontslag of wordt zelf wel ontslagen. In zijn broekzak hoort standaard een handgranaat: je weet immers nooit… Liefde? Nee, dat woord blijft in het midden. Maar het tweetal weet op de duur wel min of meer wat het waard is.
De tekstbewerking van regisseurs Stijn Devillé en Adriaan Van Aken blijft trouw aan Hartley. Veel van de afstandelijke dialogen komen letterlijk uit de film en de typisch Amerikaanse sfeer wordt behouden, wars van het Vlaamse theaterpubliek dat ook best zonder dollars en American football had gekund. Zelfs aan de flitsende opeenvolging van korte scènes bij Hartley heeft Braakland in zijn vertaling van film naar scène niet geraakt. Het doet de sociale kritiek onder het origineel er des te beter uitkomen. Maria en Matthew worden door de gangbare normen afgedaan als losers. Ze lijken niet in, maar buiten de maatschappij te staan. Maar ze zijn niet zomaar door de mazen van de samenleving gevallen. Ze stappen er zelf uit. Daarin schuilt vooral de evolutie van Maria. De goedkope sloerie wordt een meisje dat nadenkt over haar plaats in de wereld: de plek die ze krijgt én deze die ze wil. Als Matthew een zwak moment beleeft wanneer hij een hersendodende job aanneemt om beter voor haar en de baby te kunnen zorgen, weigert zij hem in zijn nieuwe mal: een man die van zijn rotjob thuiskomt met een rothumeur, in zijn sofa ploft en alleen maar knorriger wordt. ‘Ik had hem liever zoals hij was’, biecht ze op. ‘Gevaarlijk.’ Zo vat je, naarmate het stuk vordert, een bizarre sympathie voor deze personages op. Ze maken geen evidente keuzes, maar weten waarvoor ze kiezen en blijven daarbij.
Die analyse van Hartley heeft Braakland goed gemaakt. De aard van de dialogen scherpt de maatschappijkritiek nog wat aan. Vaak ratelen personages naast in plaats van met elkaar. Pas op een tweede plan merk je waarover hun dialogen eigenlijk gaan: gebrek aan communicatie, intolerantie voor buitenbeentjes, gebrek aan vertrouwen. En dan worden het weer de buitenbeentjes die de boel moeten redden. Neem de scène waaraan het stuk zijn naam ontleent. ‘Vertrouwt ge mij?’, vraagt Maria aan Matthew. ‘Als gij mij eerst vertrouwt’, kaatst die terug. Het meisje maakt er verder geen woorden aan vuil, kruipt op een toren (hier een stelling) en laat zich er zonder omkijken vanaf vallen. Hij is net op tijd om haar op te vangen. ‘Ik vertrouw jou’, is haar conclusie. Of hoe een voorstelling over beladen menselijke verhoudingen toch licht en grappig kan kleuren. Zo wil Maria dat Matthew haar evenzeer vertrouwt, en maant ze hem aan om op zijn beurt op de toren te klimmen. Bijna dubbel zo groot als het meisje, dreigt Matthew/Pieter Genard al haar botten te breken. Er gaat een opgeluchte giechel door de zaal als hij uiteindelijk op zijn passen terugkeert. Hij springt niet, maar het punt is gemaakt. Ergens zit het goed met het vertrouwen tussen de twee.
De muziek acteert
Veel eerbetoon aan Hartley, dus. Devillé en Van Aken hebben bij de Amerikaan een verhaal herkend dat ze ook willen vertellen. Eén met scherpe kantjes, over de onderlagen, vanuit een hang naar de maatschappelijke koortsthermometer. Maar waarin toont Braakland dan zijn eigen gezicht? Het geheim zit hem in het geslaagde duet tussen tekst en muziek. En dat begint in Trust bij het decor. Voor het eerst in het Braakland-parcours is het klassieke rommeltje van microfoons, aftandse audioapparatuur en televisies (hier en daar herken je een toestel uit vorige producties) een gedeeld decor geworden. Het vormt zowel het fictionele arbeidsmilieu van elektrohersteller Matthew als de praktische speeltuin van muzikanten Rudi Trouvé en Mauro Pawlowski. In kleurloze stofjassen staan zij erbij, en knutselen met al hun speeltjes een extra stem in het stuk. ‘Dolby surround for the poor’ noemt Trouvé zijn uitvinding: een bazaar aan oude cassetterecorders, afgedragen versterkers en geklasseerde bandopnemers en luidsprekers. Zo talrijk staan ze verspreid over de scène om in telkens nieuwe combinaties het samenspel aan te gaan, dat je er bij aanvang nauwelijks de acteurs in terugvindt. Braakland heeft daar een patent op: eerst kunnen alle kabels over de vloer de doorwinterde theaterkijker wel eens afleiden, maar binnen de kortste keren schept het stuk een fictionele sfeer die het allegaartje op scène overstijgt in een wereld áchter de rommel – die in de hoofden van de personages. In Trust is het allemaal deel van één universum.
Die inniger relatie met het wel vaker verrassende muzikale arsenaal van Braakland is de voorlopige slotsom van een hele verkenningstocht. In 2005-2006 flankeerden Geert Waegeman en Cro Magnon-actrice Chris Lomme in Zoon, een monoloog over een moeder die haar eigen zoon doodt om van de tirannie van zijn drugverslaving verlost te raken. De speciaal gecomponeerde muziek viel bijzonder in de smaak, maar het totaalpakket vormde nog geen onlosmakelijk geheel. Je had evengoed van Cro Magnon kunnen genieten zonder Lomme, en van Lomme zonder muziek. Een stap verder gingen Lied en De vreemdeling. In de monoloog van Kris Cuppens dikte de muziek de emotionele geladenheid van de tekst aan: je kon onmogelijk zeggen of het nu de acteur of de muzikant was die je kippenvel gaf. In de Camus-bewerking daarentegen vertolkten Waegeman en Gerrit Valckenaers de emoties die de personages zelf niet (konden) uitspreken. Meursault (Pieter Genard) begraaft zijn moeder en vermoordt een Arabier, maar hij wordt in de rechtszaal vooral hard aangepakt om zijn strakke onbewogenheid. Die afstandelijkheid werd gecompenseerd door de soundtrack. Dáár voerden de personages het emotionele gevecht met de samenleving die hen verstikte en uitspuwde. Net omdat de muziek bij de onheilspellende slotrede van de advocaten uitgroeide tot een orkaan, bleef dat eind in je geheugen hangen: één kakofonie van stemmen en geluidsgeweld tegen de maatschappelijke wurggreep. Muziek als vertaling van een heftig gevecht.
Trust neemt weer een horde meer. Was muziek al belangrijk in de originele filmversie, op toneel wordt ze een volwaardig personage tussen de andere. Van meet af aan merk je aan de pokerfaces van Trouvé en Pawlowski dat ze meer van plan zijn dan een fraai muziektapijt onder de voorstelling te leggen. Het tweetal schuift zichzelf op gezette tijden prominent naar voren. De muzikanten worden acteurs: hand in hand – één keer zelfs letterlijk – geven ze het woelige emotionele gesudder in de hoofden van de personages klank. Met hun samenraapsel van knopjes, schuivers en snaren schrijven ze een oorspronkelijke soundtrack bij elkaar. Nu eens maakt experimenteel pianogetokkel dolbygewijs de hoofdmoot van een nummer uit, dan weer klinken elektronische klanken, al dan niet ondersteund door vocoder of gitaren op het voorplan. Hilarisch is het stukje waarin Trouvé en Pawlowski zichzelf als een stel kleurloze clowns in de kijker zetten. Boven hun geluidsprisma zet Trouvé een handgeklapnummertje in. Pawlowski volgt hem met een quasi onnozele frons op het voorhoofd. Het is een korte lichte noot in de overheersend donkere sfeer die het tweetal oproept.
De meerwaarde – zelfs de onverbrekelijke noodzaak – van de muziek toont zich nog het mooist in de talloze wissels tussen de korte, snelle scènes in Trust. Die overgangen zijn vaak een hele ombouw. Telkens moeten de acteurs de microfoons versjouwen om hun personages ook in de volgende scène op de juiste plek te laten dialogeren. Wie Hartley’s film kent – en Braakland niet of minder goed – kan in die microfoons een knipoog zien naar de schoonheidsfoutjes van de film. Daar gaat haast geen scène voorbij of de microfoon komt even in beeld. Charmante gimmick van Hartley of te weinig budget voor nieuwe takes? In elk geval zijn de microfoons bij Braakland veel meer dan een grappig trucje. Ze zijn er altijd. Ze horen erbij en moeten in het stuk geïntegreerd worden om de woorden boven de muziek te helpen. In Trust doen de muzikanten de acteurs een wederdienst. Om te vermijden dat de voorstelling bij elke podiumherschikking als een pudding in elkaar zakt, nemen Trouvé en Pawlowski het spel over. Met hun vreemde elektronische gadgets stelen ze de show, zonder de acteerprestaties van Genard, Wildemeersch, Vertongen en Cuppens voor de voeten te lopen. Eigenlijk zetten ze die nog extra in de verf. Hun muziek wordt een alternatief voor de montagetechniek van de film. Hun inbreng houdt tijdens de potentieel vertragende scènewissels de fictionele wereld overeind die Braakland tussen alle snuisterijen door bij de toeschouwers weet in te planten. En die wereld raakt, vertrouw me.
Met de dialoog woord-muziek heeft het Leuvense gezelschap in Trust een niet mis te verstane stap gezet in de ontwikkeling van zijn muziektheatertaal. Tekst is en blijft belangrijk, maar muziek is daar niet langer slechts een mooie aanvulling op. De tonen gaan met de woorden een rechtstreekse tweespraak aan en moeten er niet voor onderdoen. Precies omdat beide inspiraties elkaar in Trust zo goed verstaan, loopt de voorstelling evenmin gevaar om door de muziek gedomineerd te worden. De dialoog is er een tussen evenwaardige partijen. (Ines Minten in recto:verso nr. 25 / september 2007) IMMACULATA (Brakke Grond, 26/04/07)
Godmiljaar, wat een weltschmerz HET WAS een perfecte dag voor een verjaardagsfeestje. Ik keek naar de handtekening boven mijn bureau en feliciteerde de Verlosser, maar toch wilde de stemming er maar niet in komen. Steeds weer moest ik denken aan Gerd Nan van Wijk, de Alkmaarse havoscholier die maandag door een zeventienjarige matroos werd doodgeslagen.
Gek genoeg maakte dat meer indruk op mij dan het bloedbad van Cho Seung-Hui, de killer van Virginia Tech. De bizarre shootout was ver weg en de daad van een gestoorde gek, Gerd Nan van Wijk had mijn buurjongen kunnen zijn. De jeugd heeft de toekomst, maar hoe?
Ik vroeg mijn dochter, die dertien is en die in de tweede klas van het atheneum zit, of het drama in Alkmaar bij haar op school nog onderwerp van gesprek was geweest, maar dat bleek niet het geval te zijn. "Alleen de scheikundeleraar begon er even over, want die heeft die jongen vroeger lesgegeven." Daarna kregen we ruzie over een bericht dat in de krant stond. Ik vond zeventienhonderd doden door medische fouten veel, zij niet. "Weet je wel hoeveel ziekenhuizen er zijn?" Toen ze woedend de trap op stormde, had ik alweer spijt.
Lusteloos bladerde ik het avondblad door. Meer dan de helft van de kinderen op de basisschool leeft ongezond. Door alle vernieuwingen is de kwaliteit van het onderwijs de laatste twintig jaar hard achteruit gehold. Kindermishandeling komt hier vaker voor dan in de Verenigde Staten. Kinderen van gescheiden ouders hebben te kampen met angsten en depressies en vertonen vaak agressief gedrag. En in een opwelling besloot ik naar De Brakke Grond te gaan, waar de Vlaamse theatergroep Braakland/Zhebilding de voorstelling Immaculata speelde, gebaseerd op de schietpartijen in het Duitse Erfurt in 2002 en op de Columbine Highschool in 1999.
Veel jeugd zat niet in de zaal - hooguit vijf bezoekers waren jonger dan twintig. Maar zodra het licht uitging, vergat ik om me heen te kijken. De voorstelling zat geraffineerd in elkaar. Braakland/Zhebilding maakt 'journalistiek documentair muziektheater', maar dat is een veel te lelijke naam voor de poëzie die de jonge acteurs lieten horen. Ze speelden hun ziel uit hun lijf, en bij tijd en wijle was ik tot tranens toe geroerd. Er vloeide geen bloed en er klonken geen schoten, maar alleen dat zoete Vlaams en de vlijmscherpe muziek van twee meestermuzikanten. Godmiljaar, wat een weltschmerz. Weemoed en verlangen.
We zagen hoe vier leerlingen na hun dood herinneringen ophalen aan hun jeugd en de school waar op een zonnige, doordeweekse dag twee jongens hun wapens leegschoten. Eén van de slachtoffers is Frankie, de eeuwige pispaal, een jongen van wie je in het begin denkt dat hij wel de dader zal zijn. "Ik sta overal buiten, heb altijd overal buiten gestaan," zei hij, diep weggedoken in de capuchon van zijn jas. "Ik ben niks en ik heb niks." "Ik wil een schitterende toekomst, maar ik krijg een kogel," reageerde één van de actrices. Ze was furieus. "Ik wil sterven op een tapijtje, op iets zachts, iets liefs, niet op deze vuile vloer."
Vlak voor het einde, op een uiterst breekbaar moment, toen het zo stil was dat ik mijn bloed hoorde ruisen, ging naast me keihard een mobiele telefoon af. Het ding speelde een soort housedeun, maar de bezitter ervan, een oude man die wat wazig uit zijn ogen keek, had niets in de gaten. Pas na tien seconden, die een eeuwigheid leken te duren, schrok hij wakker. Ik kreeg terstond zin om hem te wurgen. "Sorry," mompelde hij, maar het was al te laat: de magie was verdwenen.
Het nagesprek met de theatermakers leverde niet veel nieuwe gezichtspunten op. Het ging over de prestatiedruk in de westerse maatschappij, de eisen waaraan 'de jeugd van tegenwoordig' moet voldoen, de dunne scheidslijn tussen slachtoffers en daders. Maar een echte verklaring voor de geweldsexplosies hadden we niet, en dat was misschien nog wel het verontrustendst. Regisseur Adriaan van Aken: "Misschien is het allemaal een kwestie van borstvoeding." (sic!)
En zo bleef ik achter, denkend aan mijn dochter en aan Gerd Nan van Wijk, zestien jaar, doodgeslagen in de kracht van zijn leven. (Frenk Der Nederlanden, Het Parool) TRUST
In gecondenseerde, snel opeenvolgende scènes gaan ze elkaar te lijf; altijd verbaal, soms ook fysiek. Hartleys intense dialogen moeten op scène weinig aan scherpte inboeten en het tempo ligt hoog. Onder de dialogen en tussen de wissels kronkelt zich de eigenzinnige muziek van Mauro en Rudy Trouvé, in stofjas bescheiden op de achtergrond. Met een arsenaal van oldschool versterkers en ander elektronisch knopjesspeelgoed voorzien ze Trust van de juiste soundtrack: melodramatisch als dat past, pompend als het kan. Tussen al dat uit kabels opgetrokken materiaal lijken de vier acteurs zich bijzonder op hun gemak te voelen. Vooral de soms onderkoelde Pieter Genard en tegenspeelster Jessa Wildemeersch leveren fraai werk af. Sommige tableau vivants waarin ze de confrontatie of net de troost zoeken zijn bijzonder fraai gestileerd. Een even pakkend als eenvoudig samenspel van muziek, licht en spel levert fraaie beelden op. Zo geeft Trust zich uiteindelijk bloot als een fijnzinnige, doorleefde voorstelling. (Thijs De Smet, in Knack)
Trust dwingt de toeschouwer tot het stellen van essentiële levensvragen. Doen we wat we wensen? Zijn we vrij of slechts een slaaf? Ernstige stuff, maar er is plaats voor humor in een compleet open decor, waarin Rudy Trouvé en Mauro Pawlowski een zeer sfeervolle soundtrack rond de dialogen schilderen. Overtuigende acteerprestaties komen niet alleen van Pieter Genard en Jessa Wildemeersch, maar zeker ook van Sara Vertongen en Kris Cuppens, die beide een hele reeks personages telkens raak weten neer te zetten.
(Christophe Rutten, Het Belang van Limburg)
De plot is strak en stevig, de dialogen klinken rechttoe rechtaan. De acteurs zeggen de tekst bijna nooit tegen elkaar, wél rechtstreeks in de micro. Interactie tussen de personages is er nauwelijks, op een handgemeen of een kus na. Een regiekeuze die ruikt naar koele afstandelijkheid, maar zo komt het niet over. De rake zinnen brengen immers talloze emoties en wrijvingen naar boven. En ook visueel zeggen een subtiele en suggestieve hint hier en daar voldoende. Met weinig veel zeggen past perfect bij Braakland/ZheBilding.
(VC in Zone)
Hartleys dialogen zijn absurdistisch, conflictueus en laconiek van toon. Het is logisch dat de makers van Trust ze letterlijk behouden; ze zijn fantastisch. Jessa Wildemeersch en Pieter Genard blijven Maria en Matthew, maar Sara Vertongen en Kris Cuppens moeten samen een tiental rollen vertolken. Vertongen schittert zowel in de rol van Maria’s keiharde moeder, als in die van de stoere verpleegster in de abortuskliniek. [...] Speciaal voor Trust bedacht Rudy Trouvé een “Dolby surround for the poor” waarin elk geluid apart te horen is. Hij en Mauro Pawlowski staan uitdrukkingsloos op het podium, maar hun krakerige muziek illustreert perfect het onvermogen tot communiceren van de personages.
(Jelle Van Riet in De Standaard) BURGERMAN
Wanneer hij eenmaal is opgewarmd, komt acteur Dirk Buyse goed op dreef als de vleesgeworden ontsnappingspoging aan burgerlijkheid. Gaandeweg weet hij steeds meer gelaagdheid in zijn monoloog aan te brengen. [...] Het strijkkwartet onder leiding van Geert Waegeman vormt de lijm die de boel bij elkaar houdt. Klassieke strijkers knopen interessante gesprekken aan met onverwachte partners, zoals een beatbox of een mandoline. Een dreigend streepje synthesizer zwemt koppig tegen de violenstroom in. Waegemans soundtrack met uitgesproken filmallures geeft een emotioneel reliëf aan de tekst. (De Standaard)
Dit keer wordt de muziek live uitgevoerd door een strijkkwartet, én ook door componist-muzikant Geert Waegeman, die zelf de elektrische gitaar, key-board, rhythmbox hanteert. En die combinatie, het is een wat vreemde combinatie, die zorgt de héle voorstelling door voor werkelijk spetterende verrassingen. [...] Burgerman is een monoloog gebracht door Dirk Buyse. Ook hij verrast door de enthousiaste springerigheid, waarmee hij een mengeling van een conférencier en een cabaretier neerzet. Alles wat door zijn hoofd schiet, moet eruit. Ook hier zelfs al zingend, als het moet. [Hij heeft het] over de recente actualiteit, waarbij het vertrekpunt de Witte Mars in Antwerpen was, na die verschrikkelijke schietpartij daar. Het is een tekst van Adriaan Van Aken en Stijn Devillé, waarin ze veel bedenkingen kwijt kunnen (misschien soms zelfs iets te veel), maar die wel uit het directe leven hier bij ons ontsproten zijn, nu eens venijnig, dan weer pittig. En het is vooral die verwondering over alles wat hier gebeurt, die aanstekelijk werkt.
(Pol Arias, Radio 1) Braakland/ZheBilding staat in culturele contreien bekend om zijn zinnenprikkelend muziektheater. Op 9 november ging de jongste productie Burgerman in première. Stijn Devillé en Adriaan Van Aken werkten samen aan tekst en regie. Geert Waegeman is, zoals gewoonlijk, componist van dienst. Het trio verdiende zijn sporen met vorige producties en bevestigt met Burgerman. (...) De voorstelling verveelt geen moment — wat veel zegt over de kwaliteit van de tekst en over de begeleidende muziek, hoewel ‘begeleidend’ in dit geval een understatement is. Meermaals betrapt de toeschouwer zich erop meegesleept te worden door de muziek, zodat de geijkte verhouding tekst/muziek in het theater haast wordt omgekeerd. (...) Om een idee te geven van de rijkdom aan klanken: één van de bewegingen brengt reminiscenties naar boven aan de symfonieën van Hindemith en Brittens St. Nicholas Cantata, terwijl andere momenten in de voorstelling doen denken aan populaire deuntjes met gitaarloopjes à la Bonanza of Pink Panter. De strijkers maken met een welgemikte vingerknip of wat speels getrommel op de klankkast van hun instrument korte metten met het stijve imago van de klassieke ensembles. Deze verrassende omgang met conventionele instrument werkt aangenaam verfrissend. De componist zelf zorgde op zijn beurt voor de elektronische toets met keyboard en rythmbox. (...) De tekst staat niet alleen bol van aforismen, hij staat ook opvallend ‘in de wereld’. Het gros van de scènes refereert aan grote en kleine actuele thema’s en aan populaire cultuur. De fragmentarische structuur van de voorstelling kan niet bepaald klassiek genoemd worden, maar stoort op geen enkel moment. (Robby Vangeel & Jozefien Van Beek in Veto) OVER NAAR JOU - DE STRIP! DE SOUNDTRACK! "Over naar jou is de eerste 'leesbare' multidisciplinaire strip": Met 'Over naar jou' wilde Van Aken ook een zeker politiek en sociaal statement maken. Centraal staat bij hem de betrokkenheid. (...) Van Akens grote sterkte is dat hij nergens met een prekerig vingertje staat te zwaaien - alles wat er gebeurt, is voor de oplettende lezer heel duidelijk, maar blijft impliciet.
De verdienste van Paquet bestaat er vooral in dat hij de lange monologue interieure waaruit de tekst is opgebouwd goed weet te verdelen. De pagina-opbouw en structuur van de strip zijn erg sterk. Nergens wordt het vervelend, nergens moeten er te grote lappen tekst worden ingevoegd. Het loopt (en leest) allemaal heel vlotjes.
Over naar de muziek dan. Die werd door orkestleider Youri Van Uffelen en zijn companen Rudy Trouvé en Ephraïm Cielen speciaal voor de strip gemaakt. De cd voegt wel degelijk iets aan de leeservaring toe, het is dus zeker geen gratuit experiment. Dergelijke pogingen om de strip uit zijn ghetto te halen en multidisciplinair te gaan werken, kunnen enkel worden aangemoedigd. (Kris Peeters in Gonzo Magazine) "Bijzonder mooi stripverhaal": Bij het lezen van het verhaal bekruipt je soms het gevoel dat je in een spiegel zit te kijken: de emoties zijn bijzonder herkenbaar voor eenieder die in een stad woont. We worden heen en weer geslingerd tussen hoop en wanhoop, euforie en frustratie. En dit zonder een greintje hoogdravendheid of bombast. Ook mooi is dat dit warme en eerlijke portret vergezeld is van een eveneens lichtjes fantastische soundtrack, een samenwerking tussen multitalenten als Rudy Trouvé, Youri Van Uffelen, Tim Liebaert en Ephraïm Cielen. Dikke aanrader. Maar wil je niet op je honger blijven zitten, wees dan snel, de oplage is beperkt! (fd in RifRaf) "Helikopters boven de stad": Van Aken en Paquet blijven ver weg van een eenduidige boodschap met opgeheven vingertje. Geen simplistische tirades tegen extreemrechts dus, maar het verhaal van een twintiger die zijn plek onder de zon nog moet vinden. Begeleid door een interne monoloog die even associatief als retorisch overdacht is, komt de lezer samen met het hoofdpersonage tot de conclusie dat het geen zin heeft om je af te sluiten van de politiek. Politiek is immers overal. (Gert Meesters in Knack)
"Een geslaagde blik in de ziel": De samenwerking tussen tekenaar Philip Paquet en theatermaker Adriaan Van Aken werkt zowel herkenbaar als confronterend en is zondermeer een geslaagde blik in onze ziel.
(jehe in Metro)
"Verhaal met een boodschap": Albums als deze Over naar Jou mogen van ons gerust naast de grafische romans van de buitenlandse grote namen staan. (...) Nergens valt een zweem van een politiek correct zedenlesje op te merken. Ook na de verkiezingen blijft dit album de moeite van het lezen meer dan waard.
(Marc Bastijns op stripspeciaalzaak.be)
"Een strip die doet denken": Paquet tekende in amper twee maand tijd een album van liefst 62 pagina's. Dat is uitzonderlijk snel voor een strip. Maar de kwaliteit heeft er niet onder geleden.
(Michel Kempeneers in De Standaard) "Geachte heer Van Aken. Hartelijk dank voor het bezorgen van het boek 'Over naar jou'. Met vriendelijke groeten. (Antwerps burgemeester Patrick Janssens, via email) "Over naar Jou zou verplichte lectuur moeten zijn in politieke academies. Politici kunnen alleen maar leren van de manier waarop in de strip het individu zijn directe omgeving ervaart en ervoor kiest daar al dan niet iets mee aan te vangen." (Antwerps CD&V-schepen Marc Van Peel in zijn speech tijdens de voorstelling van het album) DANSEN DRINKEN BETALEN Motor is het dienstbare vertelspel van Sara Vertongen, gepokt en gemazeld bij het gezelschap. Ze laat zich als een vis meedrijven op de uitgerekte muzikale flow van Rudy Trouvé, Ephraïm Cielen en Youri Van Uffelen, en hoeft aan haar voorkomen maar wat kwetsbaar je-m’en-foutisme toe te voegen om een typische tienerdochter te worden. Regisseur Adriaan Van Aken toont in zijn tekst een neus voor details en schijnbaar zinloze observaties. Ze spoelen af en aan, maar op het eind vind je jezelf terug in een zee van anonieme stadsmelancholie. Als puberportret zit Dansen Drinken Betalen er knal op, maar meer nog als evocatie van de algemeen menselijke stuurloosheid. Vooral omdat die hier toch zo koesterend werkt. Je zou willen dat het bleef duren, en dat is zeldzaam in theater. (Wouter Hillaert in De Morgen) Het eigenzinnige muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding verblijdt Vlaanderen weer met een nieuwe voorstelling. De naam Rudy Trouvé op de affiche trekt alvast het nodige publiek, maar niet alleen hij maakt het mooie weer in de intiemste en mooiste theaterlocatie van het land, de Molens van Orshoven in Leuven. Het stuk “Dansen Drinken Betalen” is van de hand van Adriaan van Aken, die samen met dramaturg/partner in crime Stijn Devillé van BZB alsmaar beter op elkaar en op actrice Sara Vertongen ingespeeld raakt. De synergie die er onontkoombaar ontstaat tussen tekst, spel en de sublieme muziek (Rudy Trouvé, Youri van Uffelen & Ephraïm Cielen) maakt er volwaardig muziektheater van. (Helena Desiron op Cutting Edge.be)
Dansen drinken betalen is een citytrip in alle betekenissen van het woord. Sara Vertongen vertelt het verhaal. Ze staat voor een decor van beeld en klank. Soms flitsen de stadsgezichten versneld voorbij. Een enkele keer trekt iedereen zich terug. Dan vertellen de beelden zichzelf en lijkt het alsof de winkelvitrines aan je oog voorbijtrekken. Met de muziek van Ephraïm Cielen, Rudy Trouvé en Youri Van Uffelen erbij wordt het indrukkenpalet compleet. Het zijn vaak dromerige ambiancestukken, een soort Brussels by night in het theater. Bij momenten volstaat de melodica of een elektrisch snoer als klankbron; soms laten de muzikanten het beest los met rockriffs. Alles bij elkaar wordt het een stadsroman, een roadmovie, een city-trip. Dansen drinken betalen is een kleurrijk stadsportret, appellerend aan alle zintuigen. (Geert Sels in De Standaard) Ook met hun nieuwe productie Dansen, Drinken, Betalen weten de braaklanders te overtuigen. De tekst - een monoloog geschreven door regisseur Adriaan Van Aken - is een aaneenschakeling van rake observaties. Actrice Sara Vertongen heeft niet veel nodig om je mee te zuigen in haar relaas. Met een authentiek ‘meisjesachtige’ lichaamstaal geeft ze vorm aan de figuren die zich onzichtbaar rondom haar bewegen. Op de achtergrond toont een projectiescherm het nachtelijk gelaat van de stad - een videomontage van Yoohan Leyssens, die ook De Zaak Alzheimer monteerde. Het geheel wordt begeleid met live muziek. ‘Begeleiding’ is eigelijk niet het juiste woord: de muzikanten Rudy Trouvé, Youri Van Uffelen en Ephraïm Cielen geven het beste van zichzelf. Drumstel, keyboards en gitaren vormen een Grieks koor dat de actie becommentarieert en vaak zelfs stuwt. Vooral het breekbare sextet van melodicas, tegen het einde van de voorstelling, beklijft. De grenzen tussen toneelstuk en concert vervagen. BZB noemt het - toepasselijk - muziektheater. Wat bijblijft is een knap stuk theater, een meeslepend spektakel, gebracht in een kleine zaal, maar een gróót publiek waardig. (Joos Roets in Veto) LIED Theatermaker Kris Cuppens schreef als geboortecadeau voor zijn zoontje Jef de geschiedenis van drie generaties Cuppens neer. Muzikant Geert Waegeman zette het verhaal op muziek. Het resultaat is een fascinerende voorstelling. (Els De Bodt in Het belang van Limburg - Lied) Een zeer persoonlijke, autobiografische tekst over het ogenschijnlijke modale leven van een veertiger met een licht overgewicht en een jaarlijkse fietsvakantie op een Franse camping. Een echtscheiding is achter de rug, een grootvader overleden, de volgende generatie verzekerd en het is tijd om een balans op te maken. Cuppens doet dat met een onophoudelijke stroom herinneringen, soms zijn dat niet meer dan spookachtige flarden, soms aandoenlijke rijmpjes, soms dialogen in Limburgs dialect. Hij hanteert een pen van ontroerende eerlijkheid en warmte. Krachtige beelden wisselt hij af met emotionele accenten, nooit valse emotie: de vader die zijn vader bijstaat in de laatste uren. Op die manier wordt de autobiografie een kroniek van vier generaties, waarin de oorlog, flamingantisme en mijnstakingen doorsijpelen. (Wilfried Eetezonne in De Morgen - Lied)
|